Rechtbank Midden-Nederland, 03-07-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2974, C/16/450297 / HA ZA 17-775
Rechtbank Midden-Nederland, 03-07-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2974, C/16/450297 / HA ZA 17-775
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 3 juli 2019
- Datum publicatie
- 3 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:2974
- Zaaknummer
- C/16/450297 / HA ZA 17-775
Inhoudsindicatie
OAD is bij de rechtbank Midden-Nederland een procedure gestart tegen Rabobank, omdat zij vindt dat Rabobank op 6 september 2013 niet de kredietrelatie met de OAD-vennootschappen mocht opzeggen. Zij stelt dat daardoor de OAD-vennootschappen genoodzaakt waren om op 24 september 2013 hun faillissement aan te vragen.
De rechtbank heeft woensdag een tussenvonnis gewezen. Zij is van oordeel dat de gang van zaken na de formele opzegging van de kredietrelatie op 6 september 2013 van belang is voor de beoordeling van de opzegging zelf. Dit mede omdat Rabobank in die periode zelf te kennen gaf bereid te zijn om onder bepaalde voorwaarden tot intrekking van die opzegging over te gaan.
Rabobank betwist een deel van de door OAD geschetste gang van zaken na de opzegging, zoals:
- dat de toezegging die een medewerker van Rabobank in een telefoongesprek op 20 september 2013 deed aan de toenmalige Commissaris van de Koning “om OAD voldoende tijd te gunnen om de verkoop van het busbedrijf van OAD aan een groep Twentse investeerders rond te krijgen” ook zag op de tijd die nodig zou zijn om die transactie feitelijk uit te voeren,
- dat op dezelfde dag OAD heeft gebeld met een medewerker van de Rabobank, en dat de medewerker heeft toegezegd om mee te werken aan de voltooiing van de verkoop van het busbedrijf van OAD aan de Twentse investeerders,
- dat OAD in een telefoongesprek op 24 september 2013 Rabobank heeft gevraagd om uitstel van de termijn voor het voltooien van die transactie met één of twee weken, en dat Rabobank dat heeft geweigerd.
Door diverse betrokkenen zijn hierover verklaringen overgelegd, maar deze zijn niet onder ede afgelegd en staan - waar het betreft de door Rabobank betwiste feiten - zo diametraal tegenover elkaar, dat er nader bewijs geleverd moet worden. De bewijslast rust op de partij die de rechtsgevolgen van die feiten ingeroepen heeft (dat de opzegging niet rechtmatig is geweest), dus op OAD.
Het is niet aan de rechtbank om te bepalen hoe OAD invulling geeft aan haar bewijsopdracht, maar zij kan zich voorstellen dat zij een aantal betrokkenen als getuige wil oproepen. Daarom stelt zij OAD in de gelegenheid om zich uit te laten over de wijze waarop zij het benodigde bewijs wil leveren.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/450297 / HA ZA 17-775
Vonnis van 3 juli 2019
in de zaak van
de stichting
STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR OAD GROEP HOLDING,
rechtsopvolgster onder bijzondere titel van de curatoren in het faillissement van de OAD-vennootschappen (mrs. D. Meulenberg en J.T. Stekelenburg)
gevestigd te Goor,
eiseres,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap met uitgesloten aansprakelijkheid
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
rechtsopvolgster onder algemene titel van Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. en Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht,
2. de naamloze vennootschap
RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mrs. B. Winters en R.J.P. Ferwerda te Amsterdam.
Partijen zullen hierna OAD (of: de Stichting) en Rabobank c.s. (afzonderlijk: Rabobank en Rabo Hypotheekbank) genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding, uitgebracht op 18 december 2015 door de curatoren van de OAD-vennootschappen tegen Rabobank c.s.
- -
-
de schorsing van het geding als gevolg van de opvolging onder bijzondere titel van de curatoren door de Stichting
- -
-
de akte hervatting rechtsgeding, tevens akte domiciliekeuze van de Stichting
- -
-
de akte houdende wijziging van eis van de Stichting
- -
-
de conclusie van antwoord van Rabobank c.s.
- -
-
de conclusie van repliek van de Stichting/OAD
- -
-
de conclusie van dupliek van Rabobank c.s.
- -
-
de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In 2003 heeft Rabobank aan diverse vennootschappen die behoorden tot de OAD Groep (hierna: de OAD-vennootschappen of OAD), een kredietfaciliteit en een garantiefaciliteit ter beschikking gesteld.
Bij brief van 6 september 20131 heeft Rabobank de aan OAD verstrekte financieringen per direct en onvoorwaardelijk opgezegd. Daarbij heeft zij een opeistermijn van 3 maanden gehanteerd.
Op 22 september 2013 heeft OAD overeenstemming op hoofdlijnen bereikt over de verkoop van haar busbedrijf aan een groep Twentse investeerders, hierna: de Twentse Investeerders.
Op 24 september 2013 hebben de OAD-vennootschappen hun faillissement aangevraagd.
3 Procedurele kwesties
Rabobank c.s. heeft aangevoerd dat de vorderingen van OAD tegen Rabo Hypotheekbank door OAD zijn ingetrokken bij akte wijziging van eis, zodat de vorderingen tegen die partij moeten worden afgewezen, en OAD in de door die partij gemaakte kosten moet worden veroordeeld. OAD heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
De rechtbank constateert dat OAD geen reden heeft gegeven voor het intrekken van de vorderingen tegen Rabo Hypotheekbank. In haar akte houdende eiswijziging geeft zij hiervoor geen nadere onderbouwing. Gelet hierop moet zij ten aanzien van deze gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, en in de door deze partij gemaakte proceskosten worden veroordeeld. Deze beslissing zal nog niet in het dictum tot uitdrukking worden gebracht, om te voorkomen dat de hoger beroepstermijnen in deze zaak uit elkaar gaan lopen.
Volgens Rabobank moeten de vorderingen jegens haar eveneens worden afgewezen, omdat OAD in strijd met artikel 21 Rv in haar stukken relevante feiten onvermeld heeft gelaten of onjuist heeft weergegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank is voor het verbinden aan schending van artikel 21 Rv van een dergelijke vergaande sanctie alleen plaats, als de verkeerd weergegeven of weggelaten feiten zodanig cruciaal zijn dat zonder die feiten een goede beoordeling van de zaak niet mogelijk is. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. De weggelaten feiten zijn niet alle vaststaande feiten, en evenmin staat vast dat deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank passeert daarom het beroep van Rabobank op artikel 21 Rv.
Ter zitting heeft Rabobank bezwaar gemaakt tegen de nieuwe stelling van OAD dat zij een telefoongesprek met [A] van Rabobank zou hebben gevoerd op 20 september 2013. Dit telefoongesprek is volgens haar niet eerder in de procedure(s) aan de orde geweest, en zij kan daarop dus ook niet reageren. Volgens haar wordt Rabobank daarmee in haar verdediging geschaad. Zij wil dat deze stelling buiten beschouwing wordt gelaten.
De rechtbank laat in het midden of OAD deze nieuwe stelling tijdens het pleidooi naar voren mocht brengen. Immers, de rechtbank zal in dit tussenvonnis OAD onder meer op dit punt opdragen om bewijs te leveren, zodat Rabobank alle gelegenheid zal hebben om op deze nieuwe stelling te reageren. Zij is dan ook niet in haar verdediging benadeeld.