Home

Rechtbank Midden-Nederland, 23-07-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3785, 18/3111-V

Rechtbank Midden-Nederland, 23-07-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3785, 18/3111-V

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 juli 2019
Datum publicatie
6 september 2019
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2019:3785
Zaaknummer
18/3111-V

Inhoudsindicatie

verzet, griffierecht, indiener

art 8:55, eerste lid, van de Awb, art. 8:54 tweede lid, van de Awb, art. 8:41, eerste lid, van de Awb,

Indien een belanghebbende die beroep instelt een gemachtigde heeft, wordt het verschuldigde griffierecht aan de gemachtigde van de belanghebbende geheven. De wet kent geen definitie van het woord ‘indiener’.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3111-V

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)

en

Procesverloop

Bij uitspraak van 12 december 2018 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van opposante, gericht tegen de uitspraak van 2 augustus 2018 van de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat opposante niet heeft voldaan aan de verplichting (tijdig) het griffierecht te voldoen.

Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan.

Opposante is in de gelegenheid gesteld op 19 juni 2019 ter zitting te worden gehoord. De gemachtigde van opposante is ter zitting verschenen. Geopposeerde is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb -voorzover hier van belang- kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.

2. Primair voert opposante aan dat de griffierechtnota nimmer op het juiste adres is ontvangen met de juiste tenaamstelling. Volgens opposante dient de griffienota op naam van opposante te worden gesteld en aan opposante zelf geadresseerd te worden. Hier is de griffienota ten onrechte op naam van de gemachtigde van opposante gesteld en aan gemachtigde van opposante verstuurd. Opposante heeft aangevoerd dat volgens de wet de indiener van het beroepschrift het griffierecht moet betalen en dat in de wet geen uitleg van het woord ‘indiener’ staat. Volgens opposante is de indiener de belanghebbende, omdat de gemachtigde het beroepschrift namens de belanghebbende indient. Subsidiair verzoekt opposante de griffienota op naam van opposante zelf te stellen, naar het adres van gemachtigde van opposante te sturen en daarbij het in geding zijnde object te vermelden. Opposante verzoekt, in het geval dat het betoog op grond van de wet volgens de rechtbank niet kan slagen, de griffienota op naam van opposante zelf te stellen in het kader van het belang van opposante. Door de vele verschillende zaaknummers in bezwaar en beroep is het voor gemachtigde van opposante lastig om te zien welke griffierechtnota op welke procedure ziet. Als de rechtbank de tenaamstelling van de griffierechtnota aanpast en het in geding zijnde object vermeldt, kan dit probleem worden opgelost. Opposante voert tevens aan dat rechtbank Zeeland-West-Brabant, rechtbank Noord-Nederland, rechtbank Amsterdam, rechtbank Overijssel en gerechtshof Den Haag de griffienota wel op naam van belanghebbenden zelf stellen.

3. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier de indiener van het beroepschrift griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘indiener’ niet nader is gedefinieerd in de wet. Verder overweegt de rechtbank dat in de wetsgeschiedenis geen nadere uitleg is gegeven wie als indiener moet worden aangemerkt. Verder acht de rechtbank van belang dat, gelet op de wetsgeschiedenis bij artikel 8:24, eerste lid, van de Awb beoogd is dat als een belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die gemachtigde in het vervolg van de procedure als partij wordt aangemerkt en de stukken aan de gemachtigde moeten worden verstuurd. Het is dan aan de gemachtigde om die stukken door te zenden aan de belanghebbende en hem of haar op de hoogte te stellen van het verdere verloop en de eventuele (financiële) gevolgen van de procedure. Omdat deze bepaling vrijwel overeenkomt met artikel 2:1 van de Awb volgt daar, naar het oordeel van de rechtbank, ook uit dat ook in de fase van beroep het contact met de belanghebbende in beginsel verloopt via de gemachtigde. De rechtbank heeft geen aanwijzing dat, indien een belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde en die namens belanghebbende een beroepschrift indient, de belanghebbende toch zelf als ‘indiener’ moet worden aangemerkt.

4. De gemachtigde van opposante heeft het beroepschrift feitelijk ingediend namens opposante. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat, op grond van de wet, op de juiste wijze is gehandeld door de griffierechtnota op naam van gemachtigde van opposante te stellen en naar de gemachtigde van opposante te sturen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om haar werkwijze aan te passen op grond van het door opposante aangevoerde belang van opposante. De rechtbank zal schriftelijk nog een algemene reactie sturen op het verzoek van gemachtigde van opposante betreffende de tenaamstelling van de griffierechtnota en vermelding van het in geding zijnde object op de griffierechtnota. Dat bij rechtbank Zeeland-West-Brabant, rechtbank Noord-Nederland, rechtbank Amsterdam, rechtbank Overijssel en gerechtshof Den Haag de tenaamstelling van de griffierechtnota’s wellicht anders is geregeld, zoals opposante heeft aangevoerd en onderbouwd, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie en leidt er evenmin toe dat deze rechtbank haar werkwijze zou moeten aanpassen.

5. De rechtbank merkt nog op dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geding nu in verzet uitsluitend de vraag aan de orde is of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht. Aan een beoordeling van de stellingen van opposante met betrekking tot het onderliggende inhoudelijke geschil kan de rechtbank dan ook niet toekomen.

6. Het verzet is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van C. Immel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel