Rechtbank Midden-Nederland, 04-10-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4908, 15/94 F
Rechtbank Midden-Nederland, 04-10-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4908, 15/94 F
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2019
- Datum publicatie
- 25 oktober 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:4908
- Zaaknummer
- 15/94 F
Inhoudsindicatie
Verzet tegen de uitdelingslijst in een faillissement. Vordering moet als boedelschuld worden aangemerkt wegens ongerechtvaardigde verrijking van de boedel.
Uitspraak
Sector handel en kanton
zaaknummer: 15/94 F
beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
Beslissing naar aanleiding van het op 2 augustus 2019 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift op grond van artikel 184 van de Faillissementswet, van de schuldeiser:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. L.A.M. van Kippersluis,
hierna: [verzoekster] ,
in het faillissement van:
[bedrijfsnaam 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [bedrijfsnaam 1] ,
curator in het faillissement: mr. R.W. Karskens,
advocaat curator: mr. W.R.M.M.J. Dingemans.
1 De procedure
Bij bezwaarschrift van 1 augustus 2019, ingekomen ter griffie van deze rechtbank van
2 augustus 2019, is [verzoekster] in verzet gekomen tegen de tussentijdse uitdelingslijst in bovengenoemd faillissement, welke op 22 juli 2019 is neergelegd.
De rechter-commissaris heeft bepaald dat het verzet ter openbare terechtzitting van 26 september 2019 zal worden behandeld. De curator en [verzoekster] zijn opgeroepen ter terechtzitting om te worden gehoord.
Bij brieven van 9 augustus 2019 en 20 september 2019 heeft de rechtbank producties ontvangen van [verzoekster] .
Bij brief van 11 september 2019 heeft de curator een verweerschrift tegen het verzet ingediend en verzocht om een proceskostenveroordeling.
Bij brief van 19 september 2019 heeft de rechtbank een verzoek om een proceskostenveroordeling ontvangen van [verzoekster] .
Ter openbare terechtzitting van 26 september 2019 zijn verschenen:
- de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] ;
- mr. L.A.M. van Kippersluis, namens [verzoekster] ;
- mr. R.W. Karskens, curator;
- mr. W.R.M.M.J. Dingemans, advocaat van de curator.
2 De feiten
Het faillissement van [bedrijfsnaam 1] is uitgesproken op 4 februari 2015 met benoeming van mr. P.J. Neijt tot rechter-commissaris en van mr. R.W. Karskens als curator.
Op 15 december 2017 heeft een pro forma verificatievergadering plaatsgevonden in het faillissement, waarbij de vordering van [verzoekster] voor een bedrag van € 250.000,00 als voorlopig concurrente vordering op de lijst van erkende schuldeisers is geplaatst. Hierbij is als voorwaarde opgenomen dat deze is ingediend ‘onder de voorwaarde dat er niet wordt uitgekeerd op een door [verzoekster] B.V. gepretendeerde boedelvordering’.
De vordering van [verzoekster] is als volgt ontstaan. In 2014 heeft [verzoekster] een bankgarantie gesteld voor [bedrijfsnaam 1] van € 250.000,00 ten gunste van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), die stelde een vordering te hebben op [bedrijfsnaam 1] . In de tekst van de overeenkomst tussen [bedrijfsnaam 2] en [verzoekster] was opgenomen dat de bankgarantie getrokken zou mogen worden wanneer [bedrijfsnaam 1] zou failleren. Een dag na het faillissement van [bedrijfsnaam 1] (dat is uitgesproken op 4 februari 2015) is de bankgarantie getrokken door [bedrijfsnaam 2] . Tijdens het faillissement is de curator namens de boedel een procedure gestart tegen [bedrijfsnaam 2] omdat [bedrijfsnaam 1] ook een vordering op [bedrijfsnaam 2] had. Bij vonnis van 8 januari 2019 heeft de Raad van Arbitrage vastgesteld dat de openstaande vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 2] € 667.294,69 bedraagt, en dat de schade van [bedrijfsnaam 2] (geleden door het faillissement van [bedrijfsnaam 1] ) € 549.019,22 bedraagt. In het vonnis is bepaald dat [bedrijfsnaam 2] het saldo van € 118.275,47 plus het bedrag van de getrokken bankgarantie
(€ 250.000,-) aan de boedel dient over te maken. [bedrijfsnaam 2] heeft vervolgens een bedrag van
€ 368.275,47 aan de boedel betaald. Sinds april 2019 heeft het arbitrale vonnis kracht van gewijsde en sindsdien bestaat er discussie tussen de curator en [verzoekster] over de status van haar vordering. [verzoekster] stelt dat zij een boedelvordering heeft, de curator is echter van mening dat de vordering van [verzoekster] een concurrente vordering betreft.
De curator heeft een verzoek gedaan om een tussentijdse uitdeling in het faillissement te doen, met als doel om tijdens het faillissement al duidelijkheid te verkrijgen over de status van de vordering van [verzoekster] .
De door de rechter-commissaris goedgekeurde tussentijdse uitdelingslijst is ter griffie neergelegd op 22 juli 2019. Binnen die termijn is [verzoekster] in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst ex artikel 184 Fw.
3 De standpunten van partijen
[verzoekster] verzoekt de rechtbank primair te bepalen dat haar vordering een boedelschuld is en dat de tussentijdse uitdelingslijst hiertoe wordt aangepast. Zij voert aan dat de bankgarantie onterecht is getrokken door [bedrijfsnaam 2] en dat de boedel hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt. Gelet op de redelijkheid en billijkheid is de curator gehouden om het ontvangen bedrag van de bankgarantie aan [verzoekster] te doen toekomen.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank subsidiair te bepalen dat de curator alvast tot uitkering dient over te gaan van het voor de uitkering aan de concurrente schuldeisers uitgetrokken bedrag aan [verzoekster] (als ware zij een concurrente schuldeiser).
De curator heeft hiertegen verweer gevoerd, en voert -in het kort gezegd- het volgende aan. [verzoekster] is niet-ontvankelijk in haar verzoek, nu artikel 184 Fw niet open staat voor boedelschuldeisers en niet door een schuldeiser kan worden gebruikt om te bewerkstelligen dat een aan haar toekomende vordering wordt aangemerkt als boedelschuld. Wanneer de rechtbank het verzoek van [verzoekster] ontvankelijk zal verklaren, verzoekt de curator de rechtbank de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen. [verzoekster] is geen boedelschuldeiser op grond van de criteria die de jurisprudentie stelt aan een boedelschuld. De boedel is niet ongerechtvaardigd verrijkt nu het arbitrale vonnis de grondslag vormt voor de betaling van [bedrijfsnaam 2] aan de boedel. Het subsidiaire verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen omdat artikel 189 Fw hieraan in de weg staat. Aldus de curator.