Home

Rechtbank Midden-Nederland, 29-05-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1972, UTR 19/4812

Rechtbank Midden-Nederland, 29-05-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1972, UTR 19/4812

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 mei 2020
Datum publicatie
29 mei 2020
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:1972
Zaaknummer
UTR 19/4812

Inhoudsindicatie

WOZ. Beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4812

(gemachtigde: A. Öztürk)

en

Procesverloop

In de beschikking van 28 februari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [adres 1] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 347.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

In de uitspraak op bezwaar van 4 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten en alleen zittingen voor urgente zaken door te laten gaan. De griffier van de rechtbank heeft telefonisch contact gehad met partijen, waarbij zij ermee hebben ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. Partijen hebben dat vervolgens schriftelijk bevestigd. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 29 mei 2020.

Overwegingen

1.De woning is een in 1932 gebouwde rijwoning met berging. De woning heeft een inhoud van ongeveer 330 m3 en ligt op een kavel van 139 m2.

2.De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.

3.Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 245.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft om die te onderbouwen een taxatiematrix overgelegd.

4. Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. In de taxatiematrix vergelijkt verweerder de woning met drie referentiewoningen die alle in dezelfde wijk zijn gelegen, uit dezelfde bouwperiode stammen en qua kavelgrootte en inhoud redelijk overeenkomen: [adres 2] , verkocht op 15 oktober 2017 voor € 358.750,-, [adres 3] ( hoekwoning), verkocht in januari 2018 voor € 362.500,- en [adres 4] , verkocht op 18 oktober 2017 voor € 403.495,-. Uit de taxatiematrix blijkt dat uit de verkoopprijzen van de eerste twee referentiewoningen, na indexatie van de verkoopprijs en correctie voor het verschil in voorzieningen, een lagere prijs per m3 wordt afgeleid dan voor de woning is gehanteerd, namelijk respectievelijk € 757,- en € 754,- tegenover € 781,- voor de woning. Deze referentiewoningen onderbouwen dus een lagere waarde. Alleen de derde referentiewoning onderbouwt een hogere waarde met een prijs per m3 van € 841,-. Uit de verkoopprijzen leidt verweerder een gemiddelde woningwaarde per m3 af van € 784,-. Voor de woning is € 781,- gebruikt. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrijstaat om de waarde van de woning te onderbouwen met die referentiewoningen die hij het meest geschikt acht, waarbij hij bij het bepalen van de WOZ-waarde mag aansluiten bij referentiewoningen waarvoor de hoogste verkoopprijzen zijn gerealiseerd (zie Gerechtshof Amsterdam 13 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2163). Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder in een situatie als deze, waar het om slechts drie referentiewoningen gaat en één sterk afwijkende verkoopprijs de gemiddelde woningwaarde per m3 sterk beïnvloedt, een verklaring of toelichting te geven waarom hij bij dit gemiddelde aansluit. Zeker als hij in de uitspraak op bezwaar nog specifiek de eerste referentiewoning ( [adres 2] ) aanvoert om de waarde van de woning te onderbouwen.

6.Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.

7.De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser de door hem voorgestane waarde aannemelijk maakt. Ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde van € 245.000,- heeft eiser in de bezwaarfase een taxatierapport overgelegd. Dat taxatierapport bevat echter geen onderbouwing van de daarin genoemde waarde. Het taxatierapport heeft daarom onvoldoende bewijskracht om de bepleite waarde aannemelijk te maken.

8.Partijen hebben de waardes die zij voorstaan beide niet aannemelijk gemaakt. Rekening houdend met alle feiten en omstandigheden zal de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststellen op € 340.000,-. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert.

9.Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.047,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 261,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 525,-).

11.De kosten van het door eiser ingebrachte taxatierapport worden vergoed op basis van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties. Uitgaande van een woning stelt de rechtbank deze kosten vast op € 128,26.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

stelt de waarde van de woning vast op € 340.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verlaagd;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.175,26;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M.J.H. Muijlaert, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak voor zover nodig alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?