Home

Rechtbank Midden-Nederland, 06-02-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2456, 19-2902

Rechtbank Midden-Nederland, 06-02-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2456, 19-2902

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
6 februari 2020
Datum publicatie
21 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:2456
Zaaknummer
19-2902

Inhoudsindicatie

verzet ongegrond, geen inhoudelijke bezwaargronden ingediend

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2902-V

(gemachtigde: mr. B. de Jong LL.B.),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum van 30 juli 2019.

In de uitspraak van 5 september 2019 (verzonden op 9 september 2019) heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 september 2019 het beroep ongegrond verklaard, omdat de ingediende bezwaargrond, waarbij enkel is vermeld dat opposante het niet eens is met de door de heffingsambtenaar vastgestelde feiten en omstandigheden, te vaag is. Uit de ingediende bezwaargrond blijkt namelijk niet waarom opposante het niet eens is met het bestreden besluit. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019 niet juist omdat in het bezwaarschrift wel een bezwaargrond staat vermeld, namelijk dat opposante het niet eens is met de door de heffingsambtenaar vastgestelde feiten en omstandigheden. In het fiscale (proces)recht is dit afdoende om als bezwaargrond in te dienen. Opposante verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.1 Opposante voegt daaraan toe dat de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum niet had over kunnen gaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift en dat de rechtbank dit heeft miskend door te overwegen dat de bezwaargrond te vaag is. Opposante vindt dat een niet-ontvankelijkheidsverklaring niet op zijn plaats is en dat het onderzoek moet worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

4. De rechtbank is het niet eens met opposante. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder sub d, van de Awb dient een bezwaarschrift gronden te bevatten. Het artikel geeft geen uitleg over de motivering waaraan de gronden moeten voldoen. Aan de motivering van een bezwaarschrift worden dan ook geen hoge eisen gesteld. Echter, neemt dat niet weg dat

hoe summier het bezwaarschrift ook verwoord is, het wel een concrete bezwaargrond moet bevatten. Daarmee wordt een feitelijke grond bedoeld. Volgens de Centrale Raad van Beroep is een feitelijke grond een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is.2 Uit het bezwaarschrift van opposante van 15 april 2019 blijkt dat sprake is van een zogenoemd pro-forma bezwaarschrift en dat de (nadere) gronden worden ingediend nadat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ontvangen. Op 14 mei 2019 heeft verweerder opposante in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken de bezwaargronden aan te vullen. Verweerder verwijst daarbij naar de mogelijkheid van het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift. Verweerder heeft daarmee voldaan aan zijn informatieplicht en opposante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Opposante heeft hierop echter niet gereageerd en dit komt voor haar rekening en risico. Dat opposante op dat moment mogelijk nog niet over het gehele procesdossier kon beschikken, zoals zij stelt in haar beroepschrift, laat onverlet dat opposante al wel concreter had kunnen en moeten aangeven waarom zij het niet eens was met het besluit van 30 juli 2019 en de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden. Nu opposante dit heeft nagelaten kan niet worden vastgesteld wat haar concrete bezwaargrond was. Het bezwaarschrift voldoet daarom niet aan de minimale motiveringseisen, zodat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De verwijzing van opposante naar de uitspraak van het Gerechtshof leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van

5 september 2019 in stand blijft.

5. Opposante krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?