Home

Rechtbank Midden-Nederland, 02-09-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3552, C/16/445060 / HA ZA 17-682

Rechtbank Midden-Nederland, 02-09-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3552, C/16/445060 / HA ZA 17-682

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
2 september 2020
Datum publicatie
21 september 2020
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:3552
Zaaknummer
C/16/445060 / HA ZA 17-682

Inhoudsindicatie

IPR. Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht. Vervolg van Rb Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2020:1825.

Rechtbank stelt prejudiciële vragen aan HvJEU over rechtsmacht en toepasselijk recht bij een Peeters/Gatzen-vordering en een collectieve actie ingesteld door schuldeisers.

Artikel 7 onder 2 Verordening Brussel I-bis (nr. 1215/2012): geldt de plaats van vestiging van de vennootschap die geen verhaal biedt voor de vorderingen van haar schuldeisers, als “plaats van het schadebrengende feit” (Handlungsort en Erfolgsort), als die onverhaalbaarheid het gevolg is van een schending van de zorgplicht door de buitenlandse indirecte moedermaatschappij van deze vennootschap jegens deze schuldeisers?

Artikel 8 onder 2 Verordening Brussel I-bis (nr. 1215/2012): vervalt de rechtsmacht ten aanzien van een vordering tot tussenkomst automatisch, als de rechtsmacht komt te ontvallen aan de oorspronkelijke vordering?

Artikel 4 onder 1 Rome II-verordening (nr. 864/2007): geldt de plaats waar de vennootschap is gevestigd die geen verhaal biedt, als “de plaats waar de schade zich voordoet”?

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/445060 / HA ZA 17-682

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

WILLEM JAN MAURITS VAN ANDEL

in hoedanigheid van opvolger van mr. Hendrik Pasman, curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMA Nederland B.V.,

kantoorhoudend te Utrecht,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. G. Konings te Utrecht,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

BMA BRAUNSCHWEIGISCHE MASCHINENBAUANSTALT AG,

gevestigd te Braunschweig (Duitsland),

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. L.P. Kortmann te Amsterdam,

en

de stichting

STICHTING BELANGBEHARTIGING CREDITEUREN BMA NEDERLAND,

gevestigd te Wijk bij Duurstede,

tussenkomende partij,

advocaat mr. F. Eikelboom te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator, BMA AG en de Stichting genoemd worden. De failliete onderneming BMA Nederland B.V. zal verder worden aangeduid als BMA NL.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van de curator uitgebracht op 21 juli 2017

-

de reactie van BMA AG op de dagvaarding (conclusie van antwoord van 6 december 2017), waarbij ook de bevoegdheid van deze rechtbank is betwist

-

de reactie van de curator op de betwisting van de bevoegdheid (incidentele conclusie van 7 februari 2018)

-

het tussenvonnis van deze rechtbank van 23 mei 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:2163), waarin zij heeft geoordeeld dat zij op grond van de Insolventieverordening1 bevoegd is om van de vorderingen van de curator kennis te nemen, voor zover deze zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad door BMA AG wegens schending van diens zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van BMA NL,

-

de reactie van de curator op de conclusie van antwoord van BMA AG (bij conclusie van repliek van 29 augustus 2018), waarbij hij zijn eis heeft gewijzigd,

-

de vordering van 29 augustus 2018 van een derde, de Stichting, om haar toe te staan om in de procedure tussen de curator en BMA AG te mogen tussenkomen,

-

de reacties van BMA AG en de curator op deze vordering van de Stichting (bij conclusies van antwoord van 12 september 2018 en 12 december 2018)

-

het tussenvonnis van deze rechtbank van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:242), waarbij de tussenkomst is toegestaan,

-

het verzoek van BMA AG aan de rechtbank om terug te komen op de tussenvonnissen van 23 mei 2018 en 30 januari 2019 (akte heroverweging van 21 augustus 2019),

-

de reacties van de curator en de Stichting op dit verzoek (bij aktes van 16 oktober 2019)

-

de indiening door de Stichting van haar vorderingen op de curator en BMA AG (conclusie van eis in tussenkomst van 12 februari 2020)

-

het tussenvonnis van 29 april 2020, waarbij de rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU)

-

de aktes van alle partijen van 24 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 De beoordeling

2.1.

BMA AG heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van haar tussenvonnissen van 23 mei 2018 en 30 januari 2019. De rechtsmacht die de rechtbank op basis van de Insolventieverordening heeft aangenomen (in het vonnis van 23 mei 2018) ten aanzien van de Peeters/Gatzen-vorderingen van de curator is volgens haar onjuist. Zij wijst op het daarover (in een vergelijkbare zaak) gewezen arrest van het HvJEU. Zie HvJEU 6 februari 2019, ECLI:EU:C:2019:96 (hierna: de zaak NK/Paribas). Daardoor kan volgens BMA AG ook het daarop voortbouwende oordeel over de rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen van de tussenkomende partij (de Stichting) in het vonnis van 30 januari 2019 niet in stand blijven.

2.2.

Uit het arrest van het HvJEU in de zaak NK/Paribas volgt – kort gezegd – dat een door een curator ingestelde Peeters/Gatzen-vordering niet valt onder de werkingssfeer van de Insolventie-verordening, maar onder de werkingssfeer van de Verordening Brussel I2 en haar opvolgster: Verordening Brussel I-bis3. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat haar andersluidende oordeel in het vonnis van 23 mei 2018 niet in stand kan blijven.

2.3.

Vragen die vervolgens beantwoord moeten worden zijn onder meer:

- leidt dit tot onbevoegdheid van deze rechtbank, of is er een alternatieve bevoegdheidsgrond in de Verordening Brussel I-bis, die de rechtbank bevoegd maakt om van de vordering van de curator kennis te nemen, en

- leidt een eventuele onbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de curator ook (al dan niet automatisch) tot onbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de Stichting?

2.4.

Partijen hebben aktes genomen over het verzoek van BMA AG tot heroverweging van de bevoegdheid, en in dat kader hun standpunten kenbaar gemaakt over eventuele alternatieve bevoegdheidsgronden. De curator beroept zich in dit verband op artikel 7 onder 2 van Verordening Brussel I-bis (Handlungsort en Erfolgsort), en de Stichting op artikel 8 onder 1 van die verordening.

2.5.

De rechtbank constateert dat de Hoge Raad in zijn verwijzingsbeslissing die heeft geleid tot het arrest van het HvJEU in de zaak NK/Paribas, geen vraag heeft gesteld over de wijze waarop artikel 7 aanhef en onder 2 van Verordening Brussel I-bis moet worden uitgelegd als het gaat om een Peeters/Gatzen-vordering, dus een vordering die wordt ingesteld door de curator ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van een failliete vennootschap. Het HvJEU heeft daarover dan ook geen oordeel uitgesproken. Over het antwoord op die vraag is wel redelijke twijfel mogelijk. Het eindarrest van de Hoge Raad van 3 juli 2020 in de zaak NK/Paribas (ECLI:NL:HR:2020:1223), waarin ook een oordeel wordt gegeven over het Erfolgsort, brengt hierin geen verandering, aangezien het een andere feitelijke situatie betrof dan in de aan deze rechtbank voorgelegde zaak.

2.6.

Hetzelfde geldt voor de rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen van de Stichting, nu ook daar sprake is van het instellen van een collectieve vordering ten behoeve van (een deel van) de gezamenlijke schuldeisers. Immers, bij een dergelijke procedure spelen alleen de omstandigheden een rol die de schuldeisers met elkaar gemeen hebben, en niet de individuele omstandigheden (zoals de wijze van totstandkoming van elke individuele overeenkomst). De grootte van de groep schuldeisers komt niet zonder meer overeen met de gezamenlijke schuldeisers ten behoeve van wie de curator optreedt. Wel is deze groep ruimer dan alleen de schuldeisers die zich bij de Stichting hebben aangesloten (zie hierna onder 3.9). Immers, op grond van artikel 3:305a Nederlands Burgerlijk Wetboek (hierna opgenomen onder 6.2) geldt een rechterlijke uitspraak ook voor andere schuldeisers die in dezelfde situatie zitten, tenzij zij zich daaraan onttrekken (opt-out). Daarom zal ook ten aanzien van deze groep worden gesproken over “gezamenlijke schuldeisers” of - waar de vordering van de Stichting ziet op een deel van hen: - “een deel van de gezamenlijke schuldeisers”.

2.7.

De omstandigheid dat er sprake is van een collectieve vordering ten behoeve van (een deel van) de gezamenlijke schuldeisers leidt ook tot moeilijkheden met betrekking tot de bepaling van het toepasselijke recht (“de plaats waar de schade zich voordoet” in de zin van Verordening Rome II4), zodat ook daar uitleg door het HvJEU gewenst is.

2.8.

De rechtbank zal hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU stellen. Partijen hebben daartegen ook geen bezwaar.

Dit vonnis is als volgt opgebouwd:

-

de feiten die voor de beoordeling van de prejudiciële vragen van belang zijn (hoofdstuk 3),

-

de vorderingen van de curator en de Stichting (hoofdstukken 4 en 5),

-

het toepasselijke nationale recht (hoofdstuk 6),

-

de kernstandpunten van partijen over de rechtsmacht en het toepasselijke recht (hoofdstukken 7 en 8),

-

de voorgenomen vragen (hoofdstuk 9) en

-

de toelichting op de vragen (hoofdstuk 10).

2.9.

De opmerkingen van partijen over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen zijn in het vonnis verwerkt voor zover de rechtbank zich daarin kan vinden.

3 De feiten

3.1.

Op 3 april 2012 zijn BMA NL en haar moedermaatschappij BMA Groep B.V. (hierna: BMA Groep) failliet verklaard. Mr. Pasman is daarbij als curator benoemd, later opgevolgd door mr. Van Andel.

3.2.

BMA NL specialiseerde zich in de productie en verkoop van machines bestemd voor de voedingsindustrie.

3.3.

BMA AG houdt 100% van de aandelen in BMA Groep en is enig bestuurder van deze vennootschap. BMA Groep is op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder van BMA NL. Hierna zal de verhouding tussen BMA AG en BMA NL worden aangeduid als grootmoedermaatschappij en kleindochtermaatschappij.

BMA Groep had de bevoegdheid om bestuurders van BMA NL te benoemen en te ontslaan. In bepaalde periodes zijn werknemers van BMA AG benoemd als statutair bestuurders van BMA NL. Voor belangrijke beslissingen en handelingen van het bestuur van BMA NL gold een verplichting om deze ter goedkeuring voor te leggen aan haar aandeelhouder BMA Groep, die vervolgens de goedkeuring vroeg van haar aandeelhouder BMA AG.

3.4.

Over de jaren 2004 tot en met 2011 heeft BMA AG leningen verstrekt aan BMA NL, oplopend tot in totaal ruim 38 miljoen euro. In de onderliggende financieringsovereenkomsten is de Duitse rechter (te Braunschweig) aangewezen als de bevoegde rechter, en Duits recht als het toepasselijke recht. De financiering vond plaats via een bankrekening die door BMA NL werd aangehouden bij een in Nederland gevestigde bank: Deutsche Bank Nederland B.V.

3.5.

Naast het verstrekken van financiering stond BMA AG soms ook garant voor schulden van BMA NL en deed zij stortingen op het kapitaal van BMA NL.

3.6.

Begin 2012 stopte BMA AG met deze financiële ondersteuning. BMA NL heeft daarop haar faillissement aangevraagd. Dat faillissement is vervolgens uitgesproken op 3 april 2012.

3.7.

Het actief van de boedel is onvoldoende om alle schuldeisers van BMA NL (volledig) te voldoen. 71 % van het bedrag van de voorlopig erkende concurrente vorderingen behoort toe aan Duitse schuldeisers, voornamelijk BMA AG zelf en andere in Duitsland gevestigde vennootschappen die behoren tot het concern van BMA AG. De overige niet-voldane schuldeisers zijn gevestigd in diverse landen, waaronder Nederland, Colombia, Portugal, Pakistan, Bulgarije, Spanje, Turkije, Zuid-Afrika, Tsjechië, Syrië, Japan, Marokko, Zweden, Griekenland, Israël, Denemarken, Italië, België, Noorwegen, Singapore, Argentinië, Slovenië, India, Brazilië, Engeland, Verenigde Arabische Emiraten, Oostenrijk en China.

3.8.

De curator is vervolgens ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van BMA NL deze procedure gestart tegen BMA AG. BMA AG heeft daarop de rechtsmacht van de Nederlandse rechter betwist. In het vonnis van 20 mei 2018 heeft deze rechtbank een oordeel daarover uitgesproken, en zich bevoegd verklaard om van de Peeters/Gatzen-vordering van de curator kennis te nemen, en wel op grond van artikel 3 van de Insolventieverordening.

3.9.

Op 21 juni 2016 is de Stichting opgericht, die ten doel heeft het behartigen van de belangen van schuldeisers van BMA NL die schade lijden of hebben geleden door het handelen dan wel nalaten van BMA AG. Zij heeft aansluitingsovereenkomsten gesloten met meer dan 50 (concurrente) schuldeisers, wiens gezamenlijke vorderingen € 1,2 miljoen bedragen. Dat is circa 40% van alle erkende vorderingen van concurrente schuldeisers die niet gelieerd zijn aan BMA AG.

3.10.

Op 15 augustus 2018 heeft de Stichting bij deze rechtbank een verzoek ingediend om te mogen tussenkomen in de procedure tussen de curator en BMA AG. De rechtbank heeft het verzoek van de Stichting gehonoreerd bij vonnis van 30 januari 2019. In dit vonnis heeft de rechtbank rechtsmacht aangenomen met betrekking tot de vordering tot tussenkomst op grond van artikel 8 onder 2 van Verordening Brussel I-bis. Op grond van die bepaling kan bij een vordering tot tussenkomst de verweerder worden opgeroepen voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering is ingesteld om de opgeroepene te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak.

4 De vorderingen van de curator

5 De vorderingen van de Stichting

6 De inhoud van het nationale recht

7 De kernstellingen van partijen over de rechtsmacht

8 De kernstellingen van partijen over het toepasselijke recht

9 De vragen van uitleg

10 Toelichting op de vragen

11 De aanlevering van stukken bij het HvJEU

12 De beslissing