Home

Rechtbank Midden-Nederland, 27-11-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5180, C/16/508737 / KG ZA 20-441 en C/16/208796 KG ZA 20-447

Rechtbank Midden-Nederland, 27-11-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5180, C/16/508737 / KG ZA 20-441 en C/16/208796 KG ZA 20-447

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27 november 2020
Datum publicatie
27 november 2020
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:5180
Zaaknummer
C/16/508737 / KG ZA 20-441 en C/16/208796 KG ZA 20-447

Inhoudsindicatie

In deze zaak staat centraal de door partijen georganiseerde inkoopprocedure betreffende de inkoop van jeugdhulp.

In geschil zijn de vastgestelde tarieven en voorwaarden. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu nog onduidelijk is of de vastgestelde tarieven in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet. Partijen hebben niet aan hun onderbouwingsplicht voldaan. Het is niet inzichtelijk of bij de vaststelling van de tarieven rekening is gehouden met het onderscheid tussen complexe zorg en minder complexe zorg, met de uitvoeringswerkelijkheid en met regionale aspecten. Ten aanzien van de voorwaarden acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat deze in strijd zijn met het proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel.

Partijen wordt verboden om de in de inkoopprocedure aangekondigde tarieven te hanteren, totdat zij deugdelijk hebben onderbouwd dat de tarieven in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/508737 / KG ZA 20-441 en C/16/208796 KG ZA 20-447

Vonnis in kort geding van 27 november 2020

in de zaak met zaaknummer C/16/508737 KG ZA 20-441 van:

de stichting

STICHTING YOUKÉ STERKE JEUGD

gevestigd te Zeist

eiseres

hierna te noemen: Youké Sterke Jeugd

advocaat mr. T. Raats

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

REGIO GOOI EN VECHTSTREEK

zetelend te Bussum

gedaagde sub 1

hierna te noemen: RGV

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BLARICUM

zetelend te Blaricum

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LAREN zetelend te Laren4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GOOISE MEREN

zetelend te Bussum5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HUIZEN

zetelend te Huizen

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HILVERSUM

zetelend te Hilversum7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WEESP

zetelend te Weesp8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WIJDEMEREN

zetelend te Loosdrecht

gedaagden sub 2 tot en met 8

hierna samen te noemen: de gemeenten

advocaat mr. M.J.J.M. Essers

in welke zaak zich heeft gevoegd aan de zijde van Youké Sterke Jeugd de stichting

STICHTING ’T KABOUTERHUIS

gevestigd te Amsterdam

hierna te noemen:’T Kabouterhuis

advocaat mr. K.M. de Groes

en in welke zaak zijn tussengekomen:

de stichting

STICHTING LEVVEL

gevestigd te Amsterdam

hierna te noemen: Levvel

advocaat mr. K.M. de Groes

de stichting

STICHTING PLURYN GROEP

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Nijmegen

hierna te noemen: Pluryn Groep

advocaat mr L. Bozkurt

en in de zaak met zaaknummer C/16/208796 KG ZA 20-447 van:

de stichting

STICHTING DE FORENSISCHE ZORGSPECIALISTEN H.O.D.N. “DE WAAG” gevestigd te Utrechteiseres

hierna te noemen: De Waag

advocaat mr. J.W. Fanoy

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

REGIO GOOI EN VECHTSTREEK

zetelend te Bussum

gedaagde sub 1

hierna te noemen: RGV

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BLARICUM

zetelend te Blaricum

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LAREN

zetelend te Laren

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GOOISE MEREN

zetelend te Bussum

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HUIZEN

zetelend te Huizen

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HILVERSUM

zetelend te Hilversum

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WEESP

zetelend te Weesp

8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WIJDEMEREN

zetelend te Loosdrecht

gedaagden sub 2 tot en met 8

hierna samen te noemen: de gemeenten

advocaat mr. M.J.J.M. Essers

Bijlage

Vordering van Youké Sterke Jeugd Youké Sterke Jeugd vordert dat: primair: RGV en de gemeenten worden geboden om: a. de tarieven die zij hanteren zodanig te wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet b. de voorwaarden van de opdracht zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel c. een nieuwe inschrijfdatum voor de inkoopprocedure te bepalen, ten minste vier weken nadat zij de gewijzigde tarieven en voorwaarden hebben gepubliceerd, althans op een door de voorzieningenrechter te bepalen moment subsidiair: RGV en de gemeenten: a. worden geboden om de inkoopprocedure stop te zetten, en b. worden verboden een nieuwe inkoopprocedure voor de inkoop van jeugdhulp te starten, tenzij RGV en de gemeenten: - de tarieven die zij hanteren zodanig wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet - de voorwaarden van de opdracht zodanig wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel meer subsidiair: een voorziening wordt getroffen die de voorzieningenrechter passend vindt en recht doet aan de belangen van Youké Sterke Jeugd. Ook vordert zij dat RGV en de gemeenten worden veroordeeld in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. Vordering van ’T Kabouterhuis ’T Kabouterhuis heeft geen zelfstandige vordering ingesteld, maar vindt als voegende partij dat de vorderingen van Youké Sterke Jeugd moeten worden toegewezen. Wel vordert zij dat RGV en de gemeenten worden veroordeeld tot betaling van haar proceskosten in het incident en de hoofdzaak. Vordering van Levvel

Levvel vordert dat: primair: RGV en de gemeenten worden geboden om: a. de tarieven die zij hanteren zodanig te wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet b. de voorwaarden van de opdracht, althans de overeenkomst, zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel c. de aan Levvel aan te bieden of aangeboden overeenkomst zodanig te wijzigen dat: - de tarieven in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet - de voorwaarden in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel

subsidiair: RGV en de gemeenten worden geboden om: a. de tarieven die zij hanteren zodanig te wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet b. de voorwaarden van de opdracht, althans de overeenkomst, zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel c. een nieuwe inschrijfdatum voor de inkoopprocedure te bepalen, ten minste vier weken nadat zij de gewijzigde tarieven en voorwaarden hebben gepubliceerd, althans op een door de voorzieningenrechter te bepalen moment meer subsidiair: RGV en de gemeenten: a. worden geboden om de inkoopprocedure stop te zetten, en b. worden verboden een nieuwe inkoopprocedure voor de inkoop van jeugdhulp te starten, tenzij RGV en de gemeenten: - de tarieven die zij hanteren zodanig wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet - de voorwaarden van de opdracht zodanig wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met het proportionaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Ook vordert Levvel dat RGV en de gemeenten worden veroordeeld in de proceskosten van het incident en de hoofdzaak. Vordering van Pluryn Pluryn vordert dat: primair: RGV en de gemeenten worden geboden om de tarieven die zij hanteert voor de subpercelen 5.1, 5.2, 5.4, 5.10, 5.12 en 5.13 zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet en de toepasselijke beginselen, waaronder het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel subsidiair: de door Youké Sterke Jeugd ingestelde vorderingen worden toegewezen.

Ook vordert Pluryn dat RGV en de gemeenten in het incident en de hoofdzaak worden veroordeeld in de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente. Vordering van de Waag De Waag vordert (na wijziging van eis) primair: a. dat RGV en de gemeenten worden geboden om het voorlopig toelatingsvoornemen van 5 oktober 2020 in te trekken en worden verboden om daaraan uitvoering te geven

b. dat RGV en de gemeenten worden geboden de inkoopprocedure stop te zetten voor zover het perceel 5.6. betreft c. dat RGV en de gemeenten worden verboden een nieuwe inkoopprocedure voor de inkoop van forensische zorg te starten, tenzij deze inkoopprocedure zodanig wordt gewijzigd dat deze in overeenstemming is met de Aanbestedingswet en de daarbij behorende beginselen d. dat RGV en de gemeenten worden geboden om de tarieven die zij hanteren zodanig te wijzigen dat deze in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet

e. dat RGV en de gemeenten worden geboden de voorwaarden van de opdracht zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming zijn met proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel f. dat RGV en de gemeenten worden geboden om, als zij met betrekking tot perceel 5.6. een inschrijver al definitief hebben toegelaten en/of een overeenkomst met een inschrijver hebben gesloten, - geen uitvoering te geven aan de definitieve toelating, en/of - de overeenkomst te beëindigen, of - wordt verboden om de overeenkomst die met een inschrijver van perceel 5.6. is gesloten na te komen

subsidiair: dat RGV en de gemeenten worden geboden om: a. het voorlopige toewijzingsbesluit voor perceel 5.6 in te trekken en zodanig te wijzigen dat deze in overeenstemming is met het transparantiebeginsel b. de definitieve toelating uit te stellen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan c. als RGV en de gemeenten met betrekking tot perceel 5.6. een inschrijver al definitief hebben toegelaten en/of een overeenkomst met een inschrijver hebben gesloten: - geen uitvoering te geven aan de definitieve toelating, en/of - de overeenkomst te beëindigen, of - worden verboden om de overeenkomst die met een inschrijver van perceel 5.6. is gesloten na te komen meer subsidiair: een voorziening wordt getroffen die de voorzieningenrechter passend vindt en recht doet aan de belangen van De Waag. Ook vordert De Waag dat RGV en de gemeenten worden veroordeeld in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente.

1 De procedure

1.1.

Het kort geding tussen Youké Sterke Jeugd en RGV en de gemeenten en tussen De Waag en RGV en de gemeenten zijn gevoegd behandeld.

1.2.

In verband met de coronamaatregelen heeft de mondelinge behandeling niet fysiek plaatsgevonden, maar door middel van een Skype-zitting.

1.3.

In het kort geding tussen Youké Sterke Jeugd en RGV en de gemeenten heeft eerst op 2 november 2020 een Skype zitting plaatsgevonden over de door ’T Kabouterhuis, Levvel en Pluryn opgeworpen incidenten om in die procedure te interveniëren.

1.4.

Bij tussenvonnis van 3 november 2020 is daarover een beslissing genomen. ’T Kabouterhuis is, zoals door haar gevorderd, toegestaan om zich te voegen aan de zijde van Youké Sterke Jeugd en Levvel en Pluryn zijn, zoals door hen gevorderd, toegestaan om tussen te komen. De beslissing over de proceskosten in incident is daarbij aangehouden.

1.5.

De inhoudelijke behandeling van het kort geding tussen Youké Sterke Jeugd en RGV en de gemeenten, en de De Waag en RGV en de gemeenten heeft door middel van een Skype zitting op 5 november 2020 plaatsgevonden. ‘T Kabouterhuis, Levvel en Pluryn hebben daaraan als interveniërende partij deelgenomen.

Alle partijen hebben, dat was vooraf met hen gecommuniceerd en afgesproken, op 2 november 2020 om 09.00 uur hun pleitnota (de eerste termijn) aan elkaar en de voorzieningenrechter verstrekt. ‘T Kabouterhuis, Levvel en Pluryn hadden dat gedaan onder de voorwaarde dat het hen zou worden toegestaan om te interveniëren.

Tijdens de Skype zitting van 5 november 2020 hebben partijen op deze pleitnota’s in tweede termijn kunnen reageren en heeft de voorzieningenrechter vragen gesteld. 1.6. Aan het einde van de Skype zitting is aan partijen verteld dat gelet op de complexiteit van de kort gedingen en de enorme omvang van de processtukken van partijen en de daarbij behorende producties er geen vonnis zal komen op de gebruikelijke termijn van twee weken. De voorzieningenrechter heeft daarbij aangegeven dat er waarschijnlijk op 27 november 2020 vonnis zal worden gewezen, maar heeft daarbij wel een slag om de arm gehouden.

1.7.

De processtukken die in het kort geding tussen Youké Sterke Jeugd en RGV en de gemeenten zijn overgelegd betreffen de volgende stukken:

1.7.1.

aan de zijde van Youké Sterke Jeugd: - de dagvaarding met daarbij de producties 1 tot en met 12 - de akte overlegging producties (productie 13) - de pleitnota

1.7.2.

aan de zijde van RGV en de gemeenten: - de producties 1 tot en met 24 - de pleitnota met betrekking tot Youké Sterke Jeugd - de pleitnota met betrekking tot ’T Kabouterhuis - de pleitnota met betrekking tot Levvel - de pleitnota met betrekking tot Pluryn

1.7.3.

aan de zijde van ’T Kabouterhuis: - de incidentele conclusie tot voeging - de samen met ’T Kabouterhuis ingediende pleitnota

1.7.4.

aan de zijde van Levvel: - de incidentele conlusie tot tussenkomst dan wel voeging met de producties 1 tot en met 6 - de samen met ’T Kabouterhuis ingediende pleitnota

1.7.5.

aan de zijde van Pluryn: - het verzoek om primair tussen te komen subsidiar te voegen

- de producties 1 tot en met 5 - de pleitnota

1.8.

De processtukken die in het kort geding tussen De Waag en RGV en de gemeenten zijn overgelegd betreffen de volgende stukken:1.8.1. aan de zijde van De Waag - de dagvaarding met daarbij de producties 1 tot en met 19 - de akte houdende vermeerdering en wijziging van eis tevens overlegging aanvullende producties (productie 20 tot en met 26)

1.8.2.

aan de zijde van RGV en de gemeenten: - de producties 1 tot en met 24 van RGV en de gemeenten - de pleitnota met betrekking tot De Waag

2 Inleiding

In deze twee kort gedingen staat een door RGV en de gemeenten georganiseerde inkoopprocedure met betrekking tot de inkoop van jeugdhulp centraal. De in dit verband door RGV en de gemeenten vastgestelde tarieven en voorwaarden worden in deze kort gedingen ter discussie gesteld, omdat:

-de tarieven in strijd zouden zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet op grond waarvan op RGV en de gemeenten de verplichting rust om reële tarieven vast te stellen

- een aantal voorwaarden in strijd zou zijn met het proportionaliteitbeginsel/evenredigheidsbeginsel.

Hierna wordt eerst ingegaan op de inrichting van de inkoopprocedure en het geschil tussen partijen. Daarna worden de vorderingen beoordeeld.

3. De inrichting van de inkoopprocedure

3.1.

De inkoopprocedure is opgedeeld in drie hoofdpercelen: 1. Ambulant 2. Verblijf 3. Vervoer.

3.2.

Het hoofdperceel Ambulant bestaat uit de volgende percelen:- perceel 5.1: Ambulante Jeugd GGZ- perceel 5.2: Ambulante Jeugdhulp- perceel 5.3: Snelle inzetbare hulp- perceel 5.4: Dagbehandeling Groep- perceel 5.5: Groepsbehandeling binnen Onderwijs/kinderopvang- perceel 5.6: Forensische Behandeling- perceel 5.7: Multi Systeem Therapie

3.3.

Het hoofdperceel Verblijf bestaat uit de volgende percelen:- perceel 5.8: Pleegzorg- perceel 5.9: Pleegzorg aanvullend- perceel 5.10: Gezinshuizen- perceel 5.11: Behandel- en leefgroepen- perceel 5.12: Driemilieuvoorziening- perceel 5.13: Klinische Jeugd GGZ.

3.3.

De spelregels en voorwaarden met betrekking tot deze inkoopprocedure zijn vermeld in het “Toelatingsdocument Jeugdhulp Voorzieningen”, met daaraan gehecht 22 bijlagen (hierna: het Toelatingsdocument). Verder maakt een inlichtingenronde onderdeel uit van deze inkoopprocedure. De vragen die in dit verband zijn gesteld en de antwoorden die daarop zijn gegeven, zijn vastgelegd in de Nota van Inlichtingen.

3.4.

In 2.1. van het Toelatingsdocument is vermeld dat deze inkoopprocedure is ingericht volgens de zo genoemde open house procedure, waarop de aanbestedingswetgeving niet van toepassing is.

3.5.

Met de inschrijver die voldoet aan de in het Toelatingsdocument gestelde specificaties, eisen en normen wordt een overeenkomst gesloten die door RGV en de gemeenten de toelatingsovereenkomst wordt genoemd. Ten aanzien van perceel 5.6 en 5.7. geldt echter dat er maar met één inschrijver een toelatingsovereenkomst wordt gesloten. Als zich meer inschrijvers aandienen die voor toelating in aanmerking komen dan zal door middel van loting worden bepaald met welke inschrijver de toelatingsovereenkomst wordt gesloten.

3.6.

De toelatingsovereenkomst wordt aangegaan voor een periode van acht jaar met een optie tot verlenging met telkens twee jaar.

3.7.

In deze toelatingsovereenkomst zijn de tarieven en de voorwaarden vastgelegd die van toepassing zijn op de door de tussen de jeugdhulpaanbieder en de hulpbehoevende jeugdige te sluiten zorgovereenkomst.

3.7.1.

RGV en de gemeenten hebben voor het hoofdperceel Ambulant (de percelen 5.1 tot en met 5.7) nieuwe tarieven vastgesteld waarvoor de betreffende jeugdhulpzorg door de toegelaten jeugdhulpaanbieder moet worden geleverd. Zij hebben zich daarbij laten adviseren door Bureau HHM (hierna: HHM).

3.7.2.

Voor het hoofdperceel Verblijf (percelen 5.8 tot en met 5.13) zijn geen nieuwe tarieven door RGV en de gemeenten vastgesteld. De tarieven die op dit moment voor deze jeugdhulpzorg gelden worden voorlopig gehandhaafd.

3.8.

Aanbieders van jeugdhulp waar geen toelatingsovereenkomst mee wordt gesloten, omdat zij niet hebben ingeschreven op de inkoopprocedure of niet geldig hebben ingeschreven, kunnen via een na-inschrijving alsnog in aanmerking komen voor een toelatingsovereenkomst in geval van capaciteitstekort of een innovatief aanbod. Verder geldt dat via een uitloopovereenkomst in elk geval gedurende het jaar 2021 de zorg door deze aanbieders kan worden voortgezet.

4. Het geschil tussen partijen

5 De beoordelingBeantwoording van een aantal voorvragen

6 De beslissing