Home

Rechtbank Midden-Nederland, 02-12-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:6025, C/16/493616 / HA ZA 19-248

Rechtbank Midden-Nederland, 02-12-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:6025, C/16/493616 / HA ZA 19-248

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
2 december 2020
Datum publicatie
21 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:6025
Zaaknummer
C/16/493616 / HA ZA 19-248

Inhoudsindicatie

Wettelijk regres en schulddeling kunnen naast elkaar bestaan; het primaat ligt bij wettelijk regres; Subjectieve verjaring in lijn met ECLI:NL:HR:2020:889; Geen absolute verjaring: regresrecht is een zelfstandig recht, staat los van het ongeluk.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/493616 / HA ZA 19-248

Vonnis van 2 december 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. L. van den Ham-Leerkes te Apeldoorn,

tegen

de naamloze vennootschap

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V., m.h.o.d.n. REAAL VERZEKERINGEN,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Achmea en Reaal genoemd worden. Beide partijen hebben verschillende rechtsvoorgangers die bij deze zaak betrokken zijn geweest. Om de leesbaarheid van het vonnis te bevorderen, worden de rechtsvoorgangers van partijen hierna ook steeds Achmea en Reaal genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,

-

de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 17,

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, via Skype videoverbinding gehouden op 15 oktober 2020,

-

de pleitaantekeningen die Achmea voorafgaand aan de zitting heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 19 maart 1988 is een dan elfjarige jongen (hierna: de jongen) aangereden door een auto. Dat gebeurde toen hij de straat overstak. De jongen was kort daarvoor aan de overkant van de weg vlakbij zijn huis afgezet door een vrijwilliger van het sport- en spelevenement waaraan de jongen die dag had deelgenomen. Bij de aanrijding heeft de jongen ernstig letsel opgelopen. Zowel de bestuurder van de auto die de jongen heeft aangereden als de vrijwilliger die de jongen begeleidde zijn aansprakelijk gesteld voor de schade die de jongen ten gevolge van de aanrijding heeft geleden.

2.2.

Partijen zijn als aansprakelijkheidsverzekeraars bij dit letselschadedossier betrokken. Voor de auto was een Wettelijke aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen afgesloten bij Achmea en de organisator van het evenement was voor aansprakelijkheid van zijn vrijwilligers bij Reaal verzekerd.

2.3.

Achmea is opgetreden als regelend verzekeraar.

2.4.

Bij brief van 5 juni 1990 heeft Reaal zich bereid verklaard een aandeel van 25% in de totale schade van de jongen (hierna: de letselschade) bij te dragen. Aanvankelijk was toen het uitgangspunt dat de jongen 50% van zijn letselschade zou dragen en Achmea en Reaal ieder 25%.

2.5.

Na ontwikkelingen in de jurisprudentie hebben partijen dit gewijzigd en ingestemd met vergoeding van 100% van de letselschade. Het aandeel eigen schuld van de jongen kwam daarmee te vervallen. Hierop is tussen partijen discussie ontstaan over de schulddeling waarin ook is betrokken dat de betrokken vrijwilliger die de jongen begeleidde een aansprakelijkheidsverzekering had bij Achmea.

2.6.

Bij brief van 30 juli 1992 heeft Achmea aan Reaal bericht dat zij drie voorschotbetalingen van in totaal fl. 9.000,00 heeft gedaan en Reaal gevraagd de helft daarvan aan Achmea te betalen. Reaal heeft de gevraagde fl. 4.500,00 aan Achmea betaald.

2.7.

Bij brief van 29 januari 2007 heeft Reaal aan Achmea laten weten dat zij bereid is om 25% van de schade van de jongen te vergoeden.

2.8.

Achmea heeft in de periode van 18 oktober 1994 tot 10 januari 2017 in totaal € 395.748,83 aan voorschotbetalingen aan de jongen uitgekeerd. Op 10 januari 2017 heeft Achmea een slotuitkering van € 1.000.000,00 gedaan. Daarmee is de schade van de jongen afgewikkeld.

2.9.

Bij e-mail van 16 mei 2017 heeft Achmea aan Reaal gevraagd 25% van de schade te vergoeden. Reaal heeft dit geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

Achmea vordert in deze procedure – na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Reaal veroordeelt om aan Achmea te betalen € 292.721,61 of – subsidiair – € 250.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Achmea legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Zowel Achmea als Reaal hebben namens hun verzekerde aansprakelijkheid erkend voor het ongeluk dat plaatsvond op 19 maart 1988. Op grond daarvan zijn zowel Achmea als Reaal gehouden die schade te vergoeden. Partijen zijn overeengekomen dat Achmea 75% en Reaal 25% van de schade voor haar rekening neemt. Omdat Achmea meer heeft betaald dan waartoe zij verplicht was heeft zij op grond van artikel 6:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een regresvordering op Reaal.

3.3.

Reaal betwist dat Achmea wettelijke regresvorderingen op haar heeft. Volgens haar is sprake van een vordering tot nakoming van de op 5 juni 1990 tussen partijen gesloten overeenkomst van schulddeling. Verder stelt Reaal dat die vordering – in absolute zin – is verjaard. Subsidiair doet zij een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Reaal concludeert tot afwijzing van alle vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing