Rechtbank Midden-Nederland, 23-07-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4069, C/16/522449 / KG RK 21-318
Rechtbank Midden-Nederland, 23-07-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4069, C/16/522449 / KG RK 21-318
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 23 juli 2021
- Datum publicatie
- 20 september 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:4069
- Zaaknummer
- C/16/522449 / KG RK 21-318
Inhoudsindicatie
Verzoek op grond van artikel 2:15 lid 4 BW; verzoek tot het aanwijzen van een persoon die in de plaats van het bestuur treedt.
Uitspraak
beschikking
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/16/522449 / KG RK 21-318
Beschikking van de voorzieningenrechter van 23 juli 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. J.K.A. van Loo te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verweerster,
advocaat mr. J.G. Galama te Eemnes,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
belanghebbende,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [verzoekster] , [verweerster] en [belanghebbende] worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift;
- -
-
de mail van mr. [A] van 31 mei 2021;
- -
-
de brief van mr. Galama van 8 juni 2021;
- -
-
de brief van mr. Van Loo van 8 juni 2021;
- -
-
de brief van mr. Galama van 31 juni 2021;
- -
-
de mondelinge behandeling gehouden op 2 juli 2021, waarvan aantekeningen zijn gemaakt;
- -
-
de spreekaantekeningen van [verzoekster] ;
- -
-
de spreekaantekeningen van [belanghebbende] ;
- -
-
de mail van mr. Van Loo van 19 juli 2021;
- -
-
de mail van mr. [A] van 20 juli 2021;
- -
-
de brief van mr. Galama van 20 juli 2021;
- -
-
de brief van mr. Van Loo van 20 juli 2021.
Op de mondelinge behandeling van 2 juli 2021 zijn verschenen:
- -
-
mr. Van Loo, advocaat voornoemd;
- -
-
mevrouw [B] , directeur [verzoekster] ;
- -
-
de heer [C] , [.] bij [verzoekster] ;
- -
-
mr. Galama, advocaat voornoemd;
- -
-
mevrouw [D] , statutair bestuurder [verweerster] ;
- -
-
de heer [E] , directeur [verweerster] ;
- -
-
mr. [A] , adviseur [verweerster] .
Ten slotte is de uitspraak nader bepaald op vandaag.
2 Het geschil
[verweerster] en [belanghebbende] zijn beide bestuurder van [verzoekster] . [verweerster] is algemeen directeur van [verzoekster] en op grond van artikel 17 lid 1 onder a van de statuten bevoegd om [verzoekster] zelfstandig te vertegenwoordigen. [belanghebbende] is bevoegd [verzoekster] gezamenlijk met [verweerster] te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan [belanghebbende] een volledige volmacht verstrekt om [verzoekster] te vertegenwoordigen.
[verzoekster] en [verweerster] zijn op 27 augustus 2020 een licentieovereenkomst aangegaan op grond waarvan [verzoekster] zich ten opzichte van [verweerster] heeft verbonden om gedurende 10 jaren jaarlijks een bedrag van € 96.000,00 (exclusief BTW) te betalen.
[belanghebbende] is bij dagvaarding van 27 mei 2021 een procedure gestart tegen [verzoekster] en [verweerster] . Deze procedure is bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/16/523103 (hierna: de bodemprocedure). [belanghebbende] stelt in de door haar uitgebrachte dagvaarding – samengevat – dat de licentieovereenkomst in strijd is met de wet en de statuten van [verzoekster] , omdat daaraan geen geldig bestuursbesluit en geen geldig besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders ten grondslag ligt. [belanghebbende] vordert in de bodemprocedure daarom onder andere een verklaring voor recht dat het besluit van [verzoekster] tot het aangaan van de licentieovereenkomst met [verweerster] nietig is, althans verzoekt om vernietiging van dit besluit.
In de bodemprocedure heeft mr. [A] zich in opdracht van [verweerster] namens [verzoekster] als advocaat van [verzoekster] gesteld. Mr. [A] is net als [verweerster] voornemens om op de rol van 28 juli 2021 een conclusie van antwoord in te dienen namens [verzoekster] .
Dit verzoek bij de voorzieningenrechter is namens [verzoekster] ingediend door mr. Van Loo in opdracht van [belanghebbende] , als gevolmachtigde van [verzoekster] . Mr. Van Loo verzoekt de voorzieningenrechter om conform artikel 2:15 lid 4 BW iemand aan te wijzen die in de bodemprocedure in de plaats treedt van het bestuur van [verzoekster] .
3 De beoordeling
Artikel 2:15 BW ziet op vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon. In lid vier wordt bepaald dat als een bestuurder van een rechtspersoon een vordering tot vernietiging van een besluit van de rechtspersoon instelt ‘de rechtspersoon de voorzieningenrechter verzoekt iemand aan te wijzen die terzake van het geding in de plaats van het bestuur treedt’.
Volmacht [belanghebbende]
[verweerster] heeft allereerst aangevoerd dat zij mr. [A] mag inschakelen op grond van de aan haar toekomende algemene bestuursbevoegdheid. Verder heeft [verweerster] aangevoerd dat mr. Van Loo niet bevoegd is om namens [verzoekster] op te treden, omdat hij opdracht heeft gekregen van [belanghebbende] . Volgens [verweerster] valt het starten en voeren van een gerechtelijke procedure niet onder de volmacht van [belanghebbende] . Daarvoor is op grond van artikel 17 van de statuten instemming van [verweerster] nodig.
Het bevoegdheidsverweer van [verweerster] slaagt niet. Aan [belanghebbende] is een volledige volmacht gegeven waarin geen beperkingen staan. Op grond van de volmacht is [belanghebbende] gerechtigd om [verzoekster] te vertegenwoordigen, ook in rechte. [verweerster] heeft in het kader van deze voorziening niet aannemelijk gemaakt dat de volmacht alleen maar zag op de dagelijkse gang van zaken in [verzoekster] . Verder is niet gebleken dat onder deze volledige volmacht artikel 17 van de statuten nog steeds zou gelden. Daarbij is van belang dat uit de stukken is af te leiden dat deze volmacht is verstrekt toen de heer [F] zijn rol als bestuurder niet kon invullen en er voor [verweerster] geen andere bestuurder was aangesteld die dat voor [F] kon doen. [belanghebbende] moest dus een volmacht hebben om zelfstandig voor [verzoekster] alle noodzakelijke beslissingen te nemen. Resumerend mocht [belanghebbende] (alleen al) op basis van haar volmacht aan mr. Van Loo de opdracht geven om namens [verzoekster] dit verzoek bij de voorzieningenrechter in te dienen.
Reikwijdte artikel 2:15 lid 4 BW
Verder heeft [verweerster] aangevoerd dat artikel 2:15 lid 4 BW bedoeld is om samenspanning tussen bestuurders te voorkomen. Het gevaar van samenspanning is er in de deze situatie niet, omdat [verweerster] , anders dan [belanghebbende] , zich op het standpunt stelt dat het bestuursbesluit rechtsgeldig is. Dus is het niet nodig om een vertegenwoordiger van [verzoekster] aan te wijzen.
Ook dit verweer van [verweerster] slaagt niet. De uitleg die [verweerster] aan artikel 2:15 lid 4 BW geeft, is te beperkt. Weliswaar wordt in de parlementaire geschiedenis gesproken over toepassing van dit artikel als bestuurders samenspannen om een besluit van de rechtspersoon vernietigd te krijgen, dit staat niet als voorwaarde in de wettelijke bepaling. Daaruit volgt al dat die invulling in de parlementaire geschiedenis kennelijk niet uitputtend is. De situatie als bedoeld in artikel 2:15 BW doet zich hier voor. In de bodemprocedure vordert [belanghebbende] als bestuurder van [verzoekster] vaststelling van de nietigheid of vernietiging van een besluit van een orgaan van [verzoekster] . Dan is een door de voorzieningenrechter aangewezen vertegenwoordiger voor de vennootschap nodig. De beslissing van [verweerster] als bestuurder van [verzoekster] om mr. [A] aan te stellen als advocaat van [verzoekster] in de bodemprocedure, voldoet ook verder niet. [verweerster] heeft direct belang bij afwijzing van de vordering van [belanghebbende] in de bodemprocedure. Dat is niet gelijk aan het belang van [verzoekster] . Tegenover de aan [verzoekster] verleende licentie staat een forse jaarlijkse verplichting van [verzoekster] gedurende tien jaar. Resumerend is er reden om voor [verzoekster] een vertegenwoordiger aan te wijzen voor de bodemprocedure.
Vertegenwoordiger
De voorzieningenrechter heeft mevrouw mr. E.L. Zetteler, werkzaam bij [naam advocatenkantoor] N.V. te [vestigingsplaats 3] , verzocht om op te treden als vertegenwoordiger van [verzoekster] in de bodemprocedure. Zij heeft zich hiertoe bereid verklaard.
Vervolg
Het verzoek van [verzoekster] is op zitting behandeld op 2 juli 2021. Toen is aan de orde geweest dat er tussen partijen ook een procedure loopt bij de Ondernemingskamer. In die procedure wordt verzocht om een onderzoek te doen naar wanbeleid bij [verzoekster] en – naar de voorzieningenrechter heeft begrepen – ook een bestuurder voor [verzoekster] aan te wijzen. De verwachting is dat de Ondernemingskamer binnen enkele weken uitspraak doet. In dat verband heeft de voorzieningenrechter op 2 juli 2021 de beslissing op dit verzoek aangehouden. Dit om te voorkomen dat er door de Ondernemingskamer een bestuurder zou worden aangewezen en door de voorzieningenrechter reeds een (andere) vertegenwoordiger zou zijn aangewezen voor [verzoekster] in de bodemprocedure. Inmiddels is echter gebleken dat mr. [A] namens [verzoekster] voornemens is om 28 juli 2021 een conclusie van antwoord te nemen in de bodemprocedure. Op het mondelinge verzoek namens de voorzieningenrechter aan mr. [A] om dat uit te stellen, heeft mr. [A] aangegeven dat alleen te kunnen doen als haar opdrachtgever ( [verweerster] als bestuurder van [verzoekster] ) daarmee instemt. Mr. Galama heeft namens [verweerster] schriftelijk laten weten geen aanleiding te zien voor uitstel. Onder deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de beslissing niet langer aanhouden en mr. Zetteler voorlopig aanstellen in afwachting van de beslissing van de Ondernemingskamer. Afhankelijk van die beslissing zal de voorzieningenrechter beoordelen of mr. Zetteler [verzoekster] in de bodemprocedure zal blijven vertegenwoordigen. De definitieve beslissing zal daarom worden aangehouden. In die definitieve beslissing zal ook beslist worden over (de wijze van vaststelling van) de vergoeding voor mr. Zetteler om op te treden als vertegenwoordiger voor [verzoekster] .
Mr. Zetteler zal zich op basis van deze beslissing in de bodemprocedure stellen voor [verzoekster] . Zij zal uitstel vragen voor het nemen van een conclusie van antwoord, omdat zij tijd nodig heeft om zich in de zaak te verdiepen. In dat verband zal ze onder meer met beide bestuurders een bespreking moeten hebben. Ook heeft zij te maken met een aanstaande vakantie en kan de beslissing van de Ondernemingskamer ertoe leiden dat het verder verrichten van werkzaamheden als vertegenwoordiger van [verzoekster] in de bodemprocedure niet efficiënt is en dus nodeloze kosten voor [verzoekster] met zich meebrengt.