Home

Rechtbank Midden-Nederland, 29-09-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4701, FT RK 21/703

Rechtbank Midden-Nederland, 29-09-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4701, FT RK 21/703

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 september 2021
Datum publicatie
5 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:4701
Zaaknummer
FT RK 21/703

Inhoudsindicatie

WHOA-zaak. Toewijzing verzoek tot homologatie.

Uitspraak

vonnis

Afdeling Toezicht

Locatie Utrecht

Vonnis op het verzoek tot homologatie van een akkoord ex artikel 383 Faillissementswet (Fw)

rekestnummer : FT RK 21/703uitspraakdatum : 29 september 2021

vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 Fw, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudende te [adres] [kantoorplaats] ,

advocaten: mrs. J.M.J. van der Grinten en J. Bouman, kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen: verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 28 juli 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd.

1.2.

Vervolgens heeft verzoekster op 12 augustus 2021 een stemverslag als bedoeld in artikel 382 Fw ingediend, dat op 25 augustus 2021 ter griffie van deze rechtbank is gedeponeerd. Verzoekster heeft op 23 augustus 2021 een verzoekschrift tot homologatie van een akkoord ex artikel 383 Fw ingediend (hierna: het verzoek).

1.3.

Bij beschikking van 27 augustus 2021 heeft de rechtbank bepaald dat zij het verzoek zal behandelen op 8 september 2021 om 13.30 uur. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat verzoekster op grond van artikel 383 lid 5 Fw de stemgerechtigde schuldeisers onverwijld in kennis dient te stellen van deze dagbepaling en hen daarbij dient te wijzen op de mogelijkheid om via een bij de griffier van de rechtbank Midden-Nederland op te vragen link deel te nemen aan de videozitting. Ten slotte heeft de rechtbank mr. J. Westerhof, advocaat bij HVG Law LLP, aangewezen als observator conform artikel 383 lid 4 Fw.

1.4.

Mr. Bouman heeft de schuldeisers tijdig, per e-mail op 27 augustus 2021 en per post op 28 augustus 2021, in kennis gesteld van voormelde beschikking.

1.5.

Op 6 september 2021 heeft de rechtbank de zienswijze van de observator aangaande het homologatieverzoek ontvangen.

1.6.

Provincie Overijssel (de enige op de lijst van stemgerechtigde achtergestelde schuldeisers (klasse 3) met een vordering van € 1.305.261,--) heeft op 6 september 2021 ter griffie van deze rechtbank een zienswijze met bijlage ingediend. Verzoekster heeft op

8 september 2021 een verweerschrift naar aanleiding van de zienswijze van de Provincie ingediend, dat tevens is toegezonden aan de Provincie en aan de observator.

1.7.

[A] (schuldeiser op de lijst van aandeelhouders (klasse 4) met een vordering van € 8.928,--) heeft op 7 september 2021 een aan de rechtbank gerichte brief ingediend bij de observator, waarin hij de rechtbank verzoekt om het verzoek tot homologatie af te wijzen. De observator heeft deze brief op 8 september 2021 gedeeld met de rechtbank, verzoekster en de Provincie Overijssel.

1.8.

Op 21 september 2021 heeft een andere schuldeiser, Nieko Beheer B.V. (hierna: Nieko Beheer) een tot de rechtbank gericht verzoek tot afwijzing van de homologatie ingediend via het adres van de observator.

1.9.

Niemand heeft inzage verzocht in de ter griffie gedeponeerde stukken.

1.10.

Het verzoek is op 8 september 2021 via een videoverbinding in raadkamer behandeld in aanwezigheid van de heer [B] , bestuurder van verzoekster, bijgestaan door mrs. J.M.J. van der Grinten en J. Bouman. Namens de Provincie Overijssel (hierna: de Provincie) is verschenen de heer [C] , juridisch adviseur. Tevens zijn verschenen mr J. Westerhof, observator, en mr N.T. Elferink, kantoorgenoot van de observator.

1.11.

Na de behandeling in raadkamer heeft de Provincie op 9 september 2021 een

e-mail gestuurd aan de rechtbank met als bijlage een (door haar aldus aangeduid) subsidiebesluit. De rechtbank heeft verzoekster de gelegenheid gegeven om te reageren op deze e-mail met bijlage. Deze reactie is op 15 september 2021 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft kennisgenomen van zowel deze e-mail met bijlage van de Provincie als de reactie van verzoekster.

1.12.

Op 9 september 2021 heeft de observator een begroting van zijn kosten bij de rechtbank neergelegd van € 10.802,80 exclusief btw. Hij heeft zijn begroting onderbouwd met een tijdsbestedingsoverzicht.

1.13.

De datum van het vonnis is tijdens de mondelinge behandeling bepaald op 28 september 2021. Op die datum heeft de rechtbank verzoekster laten weten dat het vonnis met één dag wordt aangehouden, tot 29 september 2021.

2 Het verzoek

2.1.

Verzoekster verzoekt de rechtbank het door haar op 29 juli 2021 aan haar schuldeisers aangeboden akkoord te homologeren. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd.

2.2.

De activiteiten van Verzoekster richten zich op de toekomstige ontwikkeling van een biobrandstoffabriek in [plaats] . Sinds haar oprichting in 2008 heeft verzoekster voornamelijk kosten gemaakt. Pas vanaf het moment dat de biobrandstoffabriek gerealiseerd en operationeel is zullen de al gemaakte kosten worden terugverdiend doordat er groen gas geproduceerd en verkocht kan worden. Voor het realiseren van de biobrandstoffabriek zijn verschillende vergunningen nodig, waaronder in ieder geval een omgevingsvergunning. Ook dient verzoekster ofwel een vergunning op grond van de Wet Natuurbeheer (hierna: WNB) te verkrijgen, ofwel toestemming zonder dat een WNB-vergunning nodig is. In het verleden beschikte verzoekster over een omgevingsvergunning en was er geen WNB-vergunning nodig. Ook heeft zij eerder een Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattranssitie subsidie (hierna: SDE-subsidie) toegekend gekregen. Op basis van de goede vooruitzichten voor de realisatie van de biobrandstoffabriek ontving verzoekster financieringsaanbiedingen en werden er regelmatig additionele stortingen in het eigen en vreemd vermogen gedaan door bestaande aandeelhouders en crediteuren.

2.3.

Aanvankelijk bestond de groep van verzoekster behalve verzoekster zelf uit

[bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [VOF] V.O.F.. In de aanloop naar het aanbieden van het akkoord zijn deze andere entiteiten ontbonden en is [VOF] V.O.F. - waar verzoekster vennoot van was – geliquideerd. De andere vennoot van de [VOF] V.O.F. was [bedrijf 2] B.V, die is ontbonden zoals hiervoor genoemd. Hiermee is de structuur van de groep vereenvoudigd.

2.4.

De ontwikkeling van de biobrandstoffabriek bestaat uit vier fasen: (i) het verkrijgen van toestemming op grond van de WNB; (ii) het aanvragen van een omgevingsvergunning en SDE-subsidie; (iii) het sluiten van projectfinanciering; en (iv) de bouw van de biobrandstoffabriek. Zoals onder 2.2. beschreven, heeft verzoekster de eerste twee fases in het verleden succesvol doorlopen. Verzoekster beschikte over een omgevingsvergunning en over een toegekende SDE-subsidie. Een WNB-vergunning was destijds niet nodig. In 2018 is de SDE-subsidieaanvraag van verzoekster afgewezen. Door een samenloop van een aantal onvoorziene vertragingen (zoals het uitblijven van financiering en intrekken van al verleende financiering) en de stikstof- en coronacrisis zijn zowel de omgevingsvergunning als de SDE subsidie verlopen. Verzoekster zal opnieuw de omgevingsvergunning en SDE-subsidie moeten aanvragen. De vertragingen hebben ertoe geleid dat verzoekster in de liquiditeitsproblemen is geraakt. Het eigen vermogen van verzoekster is negatief, zo volgt uit de conceptjaarrekening 2020 en de jaarrekening 2018 en 2019 van verzoekster. Verzoekster heeft een hoge schuldenlast. Dit betreft langlopende schulden bestaande uit financiering die is aangetrokken in de beginfase van de ontwikkeling van de biobrandstoffabriek. De hoge (langlopende) schuldenlast in combinatie met de vertraging en de tegenslagen voor de aanvraag van vergunningen en subsidies, maakt het onmogelijk voor verzoekster om additionele financiering aan te trekken. In essentie is verzoekster een levensvatbaar bedrijf dat slechts tijdelijk in een insolvente toestand verkeert. Verzoekster heeft eerder vergunningen toegekend gekregen en beschikt over een analyse van Royal Haskoning DHV waaruit volgt dat de stikstofuitstoot van de realisatie van de biobrandstoffabriek minimaal is waardoor het project geen negatieve effecten heeft op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Daarnaast is er maatschappelijke behoefte aan extra groen gas-productiecapaciteit. Meerdere externe partijen hebben vertrouwen uitgesproken in de realisatie van de biobrandstoffabriek en hebben aangeboden het project te willen financieren, maar stellen wel voorwaarden. Weliswaar zijn de voortuitzichten positief, de huidige liquiditeitsproblemen zorgen er voor dat verzoekster binnen afzienbare tijd niet meer haar schulden zal kunnen betalen.

2.5

Verzoekster bevindt zich in een impasse: enerzijds zijn er liquiditeitsproblemen en kan verzoekster geen additionele financiering aantrekken omdat financiers de voorwaarde stellen dat toestemming dan wel een vergunning op grond van de WNB moet zijn verkregen. Anderzijds zijn er geen liquide middelen om de vergunning aan te vragen. De enige mogelijkheid om de onderneming te redden is het verlichten van de schuldenlast. Om uit de impasse te geraken en haar lopende verplichtingen te blijven voldoen, heeft verzoekster vanaf eind 2019 getracht opbrengsten te genereren door een in 2011 aangekochte bioplastics-productielijn te veilen. Verzoekster had nog een schuld aan de verkoper van de productielijn voor de opslagkosten en om die reden heeft verzoekster ervoor gekozen de veiling in te trekken en de productielijn contractueel te laten toekomen aan de verkoper van de productielijn. Dit was gunstiger omdat verzoekster haar passiva zo verminderde, maar hierdoor geen liquiditeiten voor verzoekster ontstaan. Dit leverde meer op dan de biedingen die via de veiling waren ontvangen. Op 12 oktober 2020 heeft verzoekster samen met de aan haar verbonden ondernemingen [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [VOF] V.O.F. een voorstel tot financiële herstructurering gedaan. Met dit voorstel hebben niet alle vermogensverschaffers ingestemd. Sinds begin 2021 werkt verzoekster aan het opstellen van het akkoord. Verzoekster is in het afgelopen halfjaar in staat geweest haar lopende verplichtingen te voldoen en zal daar ook nog enkele maanden mee kunnen voortgaan. Verzoekster heeft Incorpe gevraagd een waarderingsrapport van de vereffeningswaarde (Waarderingsrapport Vereffeningswaarde) van verzoekster op te stellen. Uit het Waarderingsrapport Vereffeningswaarde van 21 juni 2021 volgt een vereffeningswaarde (bij het niet tot stand komen van het onderhavige akkoord) van afgerond € 40.000,--. Vervolgens heeft verzoekster een conceptakkoord opgesteld met concepten voor de indeling van de schuldeisers en aandeelhouders in klassen en de financiële gevolgen per klasse. Incorpe heeft op basis van het conceptakkoord met bijlagen een waarderingsrapport van de reorganisatiewaarde van verzoeksters (Waarderingsrapport Reorganisatiewaarde) opgesteld. Uit het Waarderingsrapport Reorganisatiewaarde van 21 juni 2021 volgt dat de waarde van de onderneming ruim € 8 miljoen bedraagt bij uitvoering van het concept akkoord. Verzoekster heeft op 21 juli 2021 aan haar concurrente schuldeisers een informatiebrief verstuurd met de aankondiging dat zijn een akkoord zal gaan aanbieden en de concurrente schuldeisers de mogelijkheid geeft om de hoogte en/of status van hun vorderingen te betwisten. Eén van de schuldeisers, te weten Soppe Gundelach Advocaten B.V., heeft aangegeven dat haar vordering onjuist was. De hoogte van die vordering is derhalve aangepast.

2.6.

Zonder herstructurering zal verzoekster niet uit de liquiditeitsproblemen geraken. Verzoekster verkeert in de toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Verzoekster biedt daarom een akkoord aan haar schuldeisers aan als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw.

2.7.

De schuldeisers zijn bij brief van 29 juli 2021, waarbij het akkoord aan hen is aangeboden, in de gelegenheid gesteld om tot en met 8 augustus 2021 hun stem uit te brengen. De aanschrijvingen van VGB B.V., de heer [A] en [onderneming 1] zijn naar verkeerde adressen gestuurd. De retourpakketten van VGB B.V. en de heer

[A] zijn vervolgens naar de juiste emailadressen verstuurd. De bestuurder van [onderneming 1] had al langs andere weg kennis kunnen nemen van de brief en het akkoord.

2.8.

Bij genoemde brief van 29 juli 2021 zijn de schuldeisers conform artikel 375 lid 1 Fw de volgende gegevens beschikbaar gesteld:

  1. Het akkoord van verzoekster;

  2. Startverklaring d.d. 27 juli 2021, gedeponeerd op 28 juli 2021;

  3. Saldibalans N2 Energie B.V. per 30 juni 2021;

  4. Concept jaarrapport 2019 N2 Invest B.V.;

  5. Toelichting van het bestuur van verzoekster op de fasen van het project en de risico’s per fase;

  6. Overzicht vertragingen sinds de start van het project;

  7. Kasstroomprognose per maand voor een totaal van 18 maanden na herstructurering;

  8. Conceptjaarcijfers 2020 van verzoekster;

  9. Jaarrekeningen 2018-2019;

  10. Bankafschrift 1 juli 2021 waaruit actuele liquiditeitspositie volgt;

  11. Waarderingsrapport vereffeningswaarde inclusief bijlagen;

  12. Verklaring investeerders m.b.t. voorgenomen investeringen in het akkoord;

  13. Waarderingsrapport reorganisatiewaarde inclusief bijlagen;

  14. Schuldeisers- en aandeelhouderslijst;

  15. Klasseindeling;

  16. Financiële gevolgen per klasse;

  17. Lijst van crediteuren die niet onder het akkoord vallen.

Aan het akkoord zijn de door artikel 375 lid 2 Fw voorgeschreven bijlagen gehecht.

2.9.

Het akkoord is op de volgende wijze gefinancierd. Verzoekster heeft twee bestaande aandeelhouders, zijnde VGB B.V. en SamsenPoel Holding B.V. (hierna: de investeerders) bereid gevonden aanvullende financiering te verlenen in het kader van het aanbieden van een akkoord. Het doel van de investering is dat verzoekster haar activiteiten kan continueren. De investeerders hebben ook een deel van de kosten voor het voorbereiden van het akkoord en de homologatieprocedure op zich genomen.

De investeerders zijn bereid in twee fasen te investeren in verzoekster:

-

Fase 1 bestaat uit een investering van € 80.000,-- minus de voorschotten van € 22.500,-- die door de investeerders zijn betaald voor het dekken van de kosten van de WHOA procedure. De voorwaarden voor deze investering zijn: (i) de investeerders krijgen aandelen met aanduiding A (Aandelen A); (ii) bestaande schulden bij de concurrente crediteuren worden grotendeels (behoudens MKB-crediteuren) gesaneerd middels een debt-for-equity-swap; (iii) de structuur van verzoekster en haar groepsvennootschappen wordt aangepast.

-

Fase 2 bestaat uit een investering van € 80.000. De voorwaarden voor deze investering is dat er ofwel toestemming is verkregen onder de WNB, ofwel een uitspraak van het bevoegde gezag waaruit volgt dat verzoekster geen vergunning voor de stikstofdepositie van het project hoeft aan te vragen, ofwel verlenging van de vergunning op grond van de WNB is verkregen.

De investeerders krijgen in ruil voor de investeringen onder Fase 1 en Fase 2 Aandelen A. Deze aandelen A geven recht op 100% van de stemrechten en winstrechten uit winstcategorie A. Winstcategorie A geeft recht op 75 % van de winstrecht van verzoekster. Onderdeel van de voorwaarden voor Fase 1 is het aanpassen van de structuur van verzoekster en haar groepsvennootschappen. Zoals onder 2.3. toegelicht heeft verzoekster haar structuur reeds vereenvoudigd, zodat aan die voorwaarde reeds is voldaan. De V.O.F. overeenkomst is beëindigd en [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. zijn ontbonden.

De huidige aandeelhouders – die per 1 juli 2021 3.416.075 aandelen houden voor een gezamenlijke waarde van € 3.306.120,-- – verliezen in het kader van het akkoord hun (bestaande) aandelen. Bovengenoemde waarde is gebaseerd op de laatste uitgiftekoers van de aandelen van 31 december 2018 ter hoogte van € 0,96 per aandeel. De nominale waarde per aandeel is € 0,01 zodat de totale nominale waarde van de uitstaande aandelen € 34.160,75 bedraagt. De debt-for-equity-swap houdt in dat de vorderingen van de overige concurrente schuldeisers worden geconverteerd naar aandelen met aanduiding B zonder stemrechten en met winstrechten uit winstcategorie B (Aandelen B). Winstcategorie B geeft recht op 25% van de winst van verzoekster. Verzoekster zal de Aandelen B intrekken indien en zodra de onderliggende vorderingen volledig zijn voldaan. De investeerders zijn bereid om, indien de rechtbank het akkoord homologeert, de schuldeisers die hebben ingestemd maar niet langer aandeelhouder van verzoekster willen zijn, uit te kopen tegen € 0,001 per aandeel. Dit aanbod maakt echter geen deel uit van het akkoord. Vier aandeelhouders, te weten [onderneming 2] B.V., [onderneming 1] , SamsenPoel Holding B.V. en VGB B.V. zijn tevens concurrente schuldeisers. Weliswaar zullen deze vier aandeelhouders hun huidige aandelen verliezen, maar ze zullen wel meedelen in de debt-for-equity-swap in die zin dat hun concurrente vorderingen zullen worden geconverteerd naar Aandelen B.

2.10.

In het akkoord zijn de schuldeisers in vier klassen verdeeld. Klasse 1 bestaat uit concurrente crediteuren die kwalificeren als MKB-handelscrediteuren. Klasse 2 bestaat uit overige concurrente schuldeisers. Klasse 3 bestaat uit een achtergestelde schuldeiser. Klasse 4 bestaat uit aandeelhouders. Deze klasseindeling volgt uit het wettelijk stelsel, met inbegrip van klasse 1 zijnde de MKB-ondernemers aan wie op grond van artikel 374 lid 2 Fw en in afwijking van hun anderszins concurrente positie, tenminste een beoogd uitkeringspercentage van 20% wordt aangeboden.

2.11.

Klasse 1 ontvangt een uitkeringspercentage van 28,9 % van hun vordering middels uitkering in geld. Klasse 2, zijnde de overige concurrente schuldeisers, ontvangt een uitkering in de vorm van aandelen met aanduiding B met winstrechten van 25 % op verzoekster. Klasse 3 (dit is alleen de Provincie) ontvangt geen uitkering in het akkoord. Klasse 4, zijnde de aandeelhouders, ontvangt in die hoedanigheid eveneens geen uitkering in het akkoord.

2.12.

Van belang hierbij is de reorganisatiewaarde, die conform het Waarderingsrapport Reorganisatiewaarde is vastgesteld op € 8.672.000,--. Deze waarde is berekend op een continuïteitsveronderstelling en vertegenwoordigt de verwachte waarde indien de bouw van de productielocatie daadwerkelijk wordt gerealiseerd. De reorganisatiewaarde, minus de uitkering aan de schuldeisers in klasse 1 ad € 14.816,53, zal voor 75% toekomen aan de investeerders en voor 25% aan de concurrente schuldeisers in klasse 2. Aan de investeerders zal naar verwachting € 6.492.887,60 (= 75% van €8.657.183,47) toekomen als deel van de reorganisatiewaarde. Aan de schuldeisers in klasse 2 zal een bedrag van € 2.164.295,87 (= 25% van € 8.657.183,47) toekomen als deel van de reorganisatiewaarde.

2.13.

Blijkens het Waarderingsrapport Vereffeningswaarde wordt de opbrengst van de verkoop van alle activa (zowel materieel als niet-materieel) geschat op een vereffeningswaarde van afgerond € 40.000,-- Een verkoop van (een gedeelte van) de onderneming als geheel wordt in het Waarderingsrapport Vereffeningswaarde niet aannemelijk geacht. In het (hypothetische) geval van faillissement is de verwachting gerechtvaardigd dat alleen een minimale uitkering kan worden gedaan aan de concurrente schuldeisers met een pandrecht op vorderingen en activa van verzoekster, zijnde VGB B.V. en SamsenPoel Holding B.V(die in het kader van het akkoord afstand doen van hun pandrechten en daarom niet in een aparte klasse zijn ingedeeld). De overige concurrente crediteuren van verzoekster zullen redelijkerwijs geen uitkering op hun vordering kunnen verwachten.

2.14.

Uit het stemverslag blijkt dat klasse 1 (concurrente MKB-schuldeisers) voor 100% heeft ingestemd, klasse 2 (overige concurrente schuldeisers) voor 69,87 % heeft ingestemd, klasse 3 (achtergestelde schuldeiser, de Provincie) niet heeft ingestemd en klasse 4 (aandeelhouders) voor 85,44% heeft ingestemd met het akkoord. Nu de voorstemmers in klasse 1, klasse 2 en klasse 4 twee derde vertegenwoordigen van het totale bedrag aan vorderingen behorend tot de schuldeisers die binnen hun klasse een stem hebben uitgebracht, worden deze klassen geacht te hebben ingestemd.

2.15.

Verzoekster is van mening dat er geen sprake is van één of meer van de algemene afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 Fw en evenmin van één of meer van de aanvullende afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 3 en lid 4 Fw.

3 Zienswijze observator

3.1.

Volgens de observator is het aangeboden akkoord gedegen en heeft de voorbereiding plaatsgevonden met inachtneming van de belangen van de betrokken schuldeisers. De observator concludeert dat de informatievoorziening vanuit verzoekster voldoet aan de vereisten uit artikel 375 Fw. Voorts concludeert de observator dat ook de vereisten uit artikel 381 en 382 Fw met betrekking tot de stemming en deponering van het stemverslag in acht zijn genomen.

3.2.

De gehanteerde klasseindeling in de klassen 1, 2, 3 en 4 voldoet aan de eisen uit artikel 374 Fw. Zo zijn de MKB-schuldeisers in een aparte klasse ingedeeld en lijken de overige schuldeisers niet benadeeld te worden met deze klasseindeling. De observator heeft specifiek aandacht besteed aan de klasseindeling van de Provincie in klasse 3, omdat de vordering in de ogen van verzoekster is achtergesteld maar die achterstelling door de Provincie wordt betwist. Naar het oordeel van de observator is de Provincie terecht in een aparte klasse ingedeeld. De leningsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de vordering noemt zowel in de considerans als artikel 1 dat de lening een achtergesteld karakter heeft.

3.3.

Verder licht verzoekster uitgebreid de aard en omvang van de financiële problemen toe, zet zij uiteen welke pogingen zijn ondernomen om deze problemen op te lossen, wat de herstructureringsmaatregelen zijn en hoe deze bij kunnen dragen aan een oplossing. Specifiek wordt in het akkoord voldoende aandacht besteed aan de waarde die naar verwachting gerealiseerd kan worden als het akkoord tot stand komt en de exploitatie van de onderneming gestart kan worden. Ook besteedt verzoekster voldoende aandacht aan het alternatieve scenario, te weten de waarde die gerealiseerd wordt indien geen akkoord tot stand komt en tot vereffening van het vermogen dient te worden gegaan. De berekeningen van de hiervoor genoemde waardes, uitgangspunten en aannames zijn voldoende helder. In het kader van het akkoord wordt nieuwe financiering aangetrokken. Dit is noodzakelijk om een aantal lopende kosten en de uitkering aan de schuldeisers in klasse 1 te dekken.

4 Standpunt Provincie Overijssel

5 Reactie verzoekster op standpunt Provincie

6 De beoordeling

7 De beslissing