Home

Rechtbank Midden-Nederland, 23-12-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6197, C/16/531267 / KL ZA 21-328

Rechtbank Midden-Nederland, 23-12-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6197, C/16/531267 / KL ZA 21-328

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 december 2021
Datum publicatie
23 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:6197
Zaaknummer
C/16/531267 / KL ZA 21-328

Inhoudsindicatie

Fusiebesluit van overkoepelende stichting ten aanzien van twee scholen in het voortgezet onderwijs. De geleding van ouders en leerlingen van de medezeggenschapsraad van een van de scholen vordert, samen met twee ouders van leerlingen van die school, in kort geding een verbod jegens de stichting tot het uitvoeren van het fusiebesluit. De grondslag van de vorderingen is de nietigheid en vernietigbaarheid van het fusiebesluit op grond van artikel 2:14 BW en 2:15 BW. De voorzieningenrechter oordeelt op het ontvankelijkheidsverweer van de stichting dat de geleding en de twee ouders bevoegd zijn om in rechte op te treden en belang hebben bij hun vorderingen. De vorderingen worden afgewezen omdat het fusiebesluit niet in strijd is met de wettelijke bepalingen die gelden voor de totstandkoming daarvan (artikel 53 f lid 1 WVO en artikel 10 aanhef en sub h WMO). De ouders komt geen beroep toe op artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat hun contractuele betrokkenheid bij de stichting niet beheerst wordt door artikel 2:8 BW. Jegens de geleding van ouders en leerlingen van de medezeggenschapsraad, waarvan de betrokkenheid met de stichting wel beheerst wordt door artikel 2:8 BW, is het fusiebesluit gelet op alle omstandigheden niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub BW.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

voorzieningenrechter

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/531267 / KL ZA 21-328

Vonnis in kort geding van 23 december 2021

in de zaak van

1. [eisers sub 1],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. W. Lindeboom te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. K. Hogeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] . en [gedaagde] genoemd worden. Eisers 1 t/m 5 zullen aangeduid worden als [eisers 1 t/m 5] en eisers 6 en 7 als [eiser sub 6] en [eiser sub 7] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met producties van [eisers c.s.] .;

-

de akte overlegging producties van [gedaagde] ;

-

de nadere producties van [eisers c.s.] .;

-

de mondelinge behandeling op 10 december 2021, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden;

-

de pleitnota van mr. W. Lindeboom;

-

de pleitnota van mr. W.K. Bischot.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] ( [gedaagde] ) voert het bevoegd gezag over drie scholen voor voortgezet onderwijs, namelijk het [school 1] , hierna het [school 1] , (havo/vwo) in [vestigingsplaats] , het [school 2] (havo/vwo) in [vestigingsplaats] en de [school 3] , hierna de [school 3] , in [vestigingsplaats] . Het [school 1] kent al enige jaren een daling van het aantal leerlingen.

2.2.

Naar aanleiding van de daling van het aantal leerlingen hebben het [school 1] en het [gedaagde] vanaf 2018 enkele onderzoeken laten doen naar het imago en de positionering van de school en naar mogelijke samenwerking met andere scholen. De onderzoeken zijn een imago-onderzoek bij DUO, een herpositioneringsonderzoek door Kirkman Company B.V., een onderzoek door Leeuwendaal naar samenwerkingsopties en een onderzoek door Berenschot betreffende analyse en overzicht van de strategische opties.

2.3.

Op basis van deze rapporten heeft het [gedaagde] in november 2020 de keuze voor een voornemen tot een institutionele fusie en de invoering van een onderscheidend onderwijsconcept besproken met het management van de drie scholen en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (hierna: GMR). Onder leiding van de rector van het [school 1] (die in september 2020 is benoemd) is een proces in gang gezet om te komen tot een doorstart van het [school 1] waarbij fusie met een of meer andere scholen de voorkeur heeft.

2.4.

Dit proces heeft geleid tot een voorgenomen besluit, vastgelegd in een intentieverklaring van 16 maart 2021 die op 23 maart 2021 door de Raad van Toezicht van [gedaagde] is getekend. Daarin staat de intentie tot de institutionele fusie van het [school 1] en de [school 3] en een planning om daartoe te komen.

2.5.

Per brief van 15 april 2021 zijn de ouders en verzorgers van de leerlingen van het [school 1] onder meer geïnformeerd over de plannen (en de haalbaarheid daarvan) voor een nieuwe school die inzet op een ondernemend onderwijsconcept door een mogelijke fusie van de [school 3] en het [school 1] . Vervolgens is - in het kader van de fase van (voorbereiding van) besluitvorming - een inspraaktraject gestart dat is vormgegeven door gebruikmaking van vijf werkgroepen betreffende de expertisegebieden: 1) onderwijs, 2) personeel, 3) financiën en beheer en huisvesting, 4) medezeggenschap en 5) bestuur en organisatie die ieder afzonderlijk een advies hebben uitgebracht. Op advies van de werkgroep onderwijs is in het kader van een te kiezen onderwijsconcept in juni en juli 2021 een marktonderzoek gedaan door Research2Evolve B.V.

2.6.

De werkgroepen hebben ieder afzonderlijk in drie maanden een advies voorbereid over de haalbaarheid en de inhoudelijke invulling van de fusie.

2.7.

De verzamelde input van de werkgroepen hebben hun weerslag gekregen in een verdere uitwerking van het voorgenomen besluit van [gedaagde] waarvan op 5 juli 2021 een presentatie is gegeven aan de medezeggenschapsraden van het [school 1] en de [school 3] . In die presentatie worden onder meer de nieuwe naam en het onderwijsconcept genoemd: [naam] (hierna: [naam] ). Die input is tevens verwerkt in de fusie-effectrapportage (hierna FER). Daarvan verscheen op 6 juli 2021 de definitieve conceptversie die op 7 juli 2021 is gedeeld met de medezeggenschapsraden van beide scholen en de Raad van Toezicht.

2.8.

In augustus en september 2021 heeft overleg tussen [gedaagde] en de medezeggenschapsraad en de medezeggenschapsgeledingen plaatsgevonden. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad van het [school 1] heeft haar zorgen kenbaar gemaakt over de plannen, in het bijzonder over de invoering van het Montessori- onderwijsconcept en het huisvestingsplan. Deze zorgen hebben geleid tot een aanpassing van de plannen betreffende het huisvestingsplan en het onderwijsaanbod.

2.9.

Per brief heeft [gedaagde] de ouders van de betrokken scholen uitgenodigd voor een ouderraadpleging op 27 en 29 september 2021.

2.10.

De rector van het [school 1] heeft per brief van 1 oktober 2021 aan de oudergeleding van de medezeggenschapsraad van het [school 1] gereageerd op de ingebrachte zorgpunten bij de bespreking van de FER 6 juli 2021 en het concept Implementatieplan [naam] versie d.d. 30 augustus 2021. Op de (cursief weergegeven) zorgen van de oudergeleding over het onderwijsconcept en het huisvestingsplan antwoordt de rector, onder andere, het volgende:

(...) 2. De plannen voor DNS zijn op geen enkel punt concreet genoeg uitgedacht. Het blijft bij een fusie, 3 pijlers en zeer recent is daar montessori aan toegevoegd. (...) (...) Ten aanzien van het onderwijsconcept van de samenhang tussen het Montessori-concept en de drie pijlers het volgende. Montessorionderwijs houdt onder meer in het streven naar verdieping van leren door integratie van hoofd, hart en handen. “Help mij het zelf te doen” is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Dat sluit in onze ogen goed aan op de drie pijlers die vallen onder de paraplu van de ondernemende school. In dat kader hanteren we de volgende (door de MR voorgestelde) volgorde. Fase 1 is de fusie van twee scholen om een brede school te kunnen starten. Het uitgangspunt is onderscheidend onderwijsaanbod te bieden binnen [regio] en om potentiële leerlingen (en hun ouders) meer keuze te kunnen bieden. Het concretiseren van de inhoud is onderdeel van fase 2.

(...)

5. Het Montessori concept en de drie pijlers zijn niet getoetst aan de vraag in de markt. Zowel niet bij de gewone basisscholen als op alle montessori basisscholen in de regio noch bij de docenten. Verder is er geen concreet onderzoek gedaan naar de hoeveelheid montessori onderwijs in de regio en is niet uitgewerkt of en hoe deze scholen voor aanmeldingen op DNS gaan zorgen. Er zijn ouders/leerlingen die iets met een Montessori systeem hebben maar nog vele malen meer die er niets mee hebben. Doe alsnog een goed marktonderzoek waarbij concreet de vraag wordt gesteld of (nieuwe) ouders voor het nieuwe integrale concept zouden kiezen en gebruik de ouderraadpleging en de reacties van de docenten daar ook (mede) voor. Er zijn verschillende onderzoeken geweest, waaronder dat van Leeuwendaal, Berenschot, een marktonderzoek door De Toekomst en onze eigen gesprekken en waarnemingen met diverse geledingen binnen [regio] en daarbuiten. Overigens klopt het dat leerlingen en ouders wel of niet willen kiezen voor een school met een Montessoriconcept. Dat is precies onze bedoeling. Binnen onze stichting willen we op deze wijze twee scherpe merken neerzetten. (...) In het [regio] is er nog geen Montessorischool. Ook is er nog geen concept-school binnen het voortgezet onderwijs in het [regio] , terwijl ruim een op de vijf leerlingen in het basisonderwijs op een concept-school zit. Mede daarom hebben wij er alle vertrouwen in dat dit concept in deze markt kans van slagen heeft. 6. Er zit geen eenheid meer in de scholen. De huidige [school 1] en [school 2] leerlingen die niet voor elkaar hebben gekozen worden bij elkaar gezet in een sterfhuis. DNS zit “zielig” met 1 leerlaag op het oude onaantrekkelijke [school 2] complex wat voor veel nieuwe ouders en leerlingen de associatie van een Mavo zal hebben. Laat de leerlingen van de [school 2] op de [school 2] , in ieder geval de derde en de vierde en start DNS op het [school 1] of andere op zichzelf staande locatie.

Het [naam] zal starten op een locatie die is ingericht volgens de Montessori-uitgangspunten. Wij zullen in de komende maanden de locatie in [locatie] aanpassen met het oog op de komst van het [naam] . De locatie zal Montessori 'proof’ zijn en zal het Montessorionderwijs ademen. (...) Door met het eerste leerjaar op een eigen locatie te beginnen, groeien de leerlingen met de school mee en de school met de leerlingen. Uitgangspunt daarbij is dat de leerlingen van het [naam] ruimte en invloed krijgen.

Het klopt dat leerlingen van het [school 1] en leerlingen van de [school 3] op dit moment niet voor elkaar gekozen hebben. Wij zullen er - ondanks dat - samen met hen voor zorgen dat zij met een goed gevoel terugkijken op hun middelbareschooltijd.

De opmerkingen van de MR en van ouders tijdens de raadplegingsbijeenkomsten hebben ons doen realiseren dat het belangrijk is dat de huidige leerlingen gezelschap krijgen van jongere leerlingen. Daarom hebben wij de voornemens met betrekking tot de huisvesting in de FER aangepast: in 2022-2023 en in 2023-2024 worden de eerstejaars- respectievelijk de eerste- en tweedejaarsleerlingen van het [naam] gehuisvest in de locatie [locatie] en de leerlingen van het [school 1] en de [school 3] in de locatie [locatie] . Vanaf 2024-2025 worden alle leerlingen (dus [naam] , [school 1] en [school 3] ) gehuisvest in de locatie [locatie] . Dit staat nu ook op deze wijze in de FER.

2.11.

Op 1 oktober 2021 legt het bevoegd gezag de definitieve versie (van 1 oktober 2021) van de FER aan de medezeggenschapsraden van de [school 3] en het [school 1] voor. De FER is naar aanleiding van gedeelde zorgen en input vanuit de werkgroepen en (de medezeggenschapsraden van) het [school 1] en de [school 3] aangepast. In de brief nodigt [gedaagde] de medezeggenschapsraden uit om hun instemming op de voorgenomen fusie te verlenen op een geplande bijeenkomst op 7 oktober 2021.

2.12.

Bij brief van 6 oktober 2021 aan [gedaagde] heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [regio] een positief advies gegeven ten aanzien van de voorgenomen fusie per 1 augustus 2022.

2.13.

Bij brief van 6 oktober 2021 informeren zes ouders, namens de 183 deelnemers, het bestuur van het [school 1] over de enquête die onder 183 ouders is gehouden. De zes ouders concluderen uit de enquête dat 3% van de deelnemende ouders het voorgenomen besluit, zoals dat bij de ouderraadpleging werd gepresenteerd, steunt.

2.14.

De rector van het [school 1] en een bestuurder van [gedaagde] reageren bij brief van 6 oktober 2021 (gericht aan de leerlingen, ouder(s) en verzorger(s) van het [school 1] ) op de zorgen over de plannen die hen hebben bereikt. In de brief wordt de noodzaak van de fusie en de keuze voor een nieuw onderscheidend onderwijsconcept toegelicht. Ook wordt uiteengezet wat de nieuwe plannen voor de huidige leerlingen betekenen en welke aanpassingen aan de plannen (op basis van de feedback van de medewerkers en ouders) zijn gedaan.

2.15.

Op 7 oktober 2021 stemt de medezeggenschapsraad van het [school 3] in met de fusie. De medezeggenschapsraad van het [school 1] is verdeeld. De personeelsgeleding stemt voor de fusie; het ouder- en leerlingendeel (hierna: [eisers 1 t/m 5] ) stemt tegen, zodat de stemmen staken. Ook bij herstemming op 8 oktober 2021 staken de stemmen op dezelfde wijze, waarmee volgens het huishoudelijk reglement van de medezeggenschapsraad, het voorstel geacht wordt te zijn verworpen.

2.16.

Bij e-mailbericht van 8 oktober 2021 van [A] laat de Raad van Toezicht van [gedaagde] aan het bestuur van [gedaagde] weten het besluit tot een institutionele fusie en de keuze voor een ondernemende school met Montessori-onderwijsconcept goed te keuren.

2.17.

Bij brief van 15 oktober 2021 heeft [gedaagde] het voorgenomen besluit tot fusie, in combinatie met het voorgenomen besluit tot invoering van Montessorionderwijs, ter instemming voorgelegd aan de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (hierna: GMR). Op 26 oktober 2021 heeft de GMR ingestemd.

2.18.

Op 28 oktober 2021 heeft het bevoegd gezag het besluit genomen om het [school 1] en de [school 3] per augustus 2022 institutioneel te laten fuseren tot [naam] (hierna [naam] ), met behoud van de protestants-christelijke grondslag en met het onderwijsconcept Montessori. Tevens vermeldt het besluit dat de leerlingen vanaf jaar 2 t/m 4 van de [school 3] vanaf augustus 2022 naar het gebouw van het [school 1] gaan, dat alle nieuwe leerlingen van het [naam] vanaf augustus 2022 naar het gebouw van de [school 3] en vanaf 2024 naar het gebouw van het [school 1] gaan, dat de huidige leerlingen van het [school 1] in het gebouw van die school blijven en dat vanaf augustus 2024 alle leerlingen in het gebouw van het [school 1] zijn gehuisvest tot de nieuwe locatie gereed is.

2.19.

Bij brief van 3 november 2021 heeft [eisers 1 t/m 5] bij het bevoegd gezag op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) een beroep gedaan op de (ver)nietig(baar)heid van het fusiebesluit.

2.20.

Op 4 november 2021 heeft [gedaagde] een instemmingsgeschil aan de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (hierna: de Commissie) voorgelegd met betrekking tot het besluit van 28 oktober 2021 en de Commissie om toestemming verzocht het fusiebesluit te mogen nemen. Het [eisers 1 t/m 5] heeft een verweerschrift ingediend. De zitting heeft op 22 november 2021 plaatsgevonden. Per brief van 23 november 2021 heeft de Commissie de beslissing (zonder motivering) medegedeeld, inhoudende dat de Commissie niet aan de beoordeling van de verzoeken van [gedaagde] toekomt omdat van het besluit van 28 oktober 2021 op grond van artikel 32 lid 3 Wet medezeggenschap op scholen (hierna WMS) niet de nietigheid is ingeroepen. De verzoeken worden daarom afgewezen. Op 9 november 2021 heeft de Commissie de uitspraak met de volledige motivering naar partijen toegestuurd waarvan de kern luidt dat het besluit van 28 oktober 2021 op grond van de WMS een geldig besluit is.

3 Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] . vordert samengevat- dat [gedaagde] wordt verboden om uitvoering te geven aan het fusiebesluit van 28 oktober 2021, primair door werving te verbieden voor de fusieschool in combinatie met de invoering van het Montessorionderwijs totdat een nieuw besluit is genomen waarvoor een behoorlijk medezeggenschapstraject is doorlopen en waarvoor goedkeuring is verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna de Minister). Subsidiair vordert [eisers c.s.] . om werving te verbieden voor de combinatie met de invoering van het Montessorionderwijs. Daarnaast vordert [eisers c.s.] . veroordeling van [gedaagde] om het fusiebesluit in te trekken dan wel op te schorten totdat daarover een behoorlijk medezeggenschapstraject is doorlopen en de Minister van Onderwijs de op grond van WMO vereiste goedkeuring heeft verleend, dan wel om een nieuw besluit te nemen over de fusie en inrichting van de nieuwe school. Tot slot vordert [eisers c.s.] . dat [gedaagde] wordt opgedragen om op zo kort mogelijke termijn inhoudelijk overleg met eisers te plannen om een poging te doen om samen een dergelijk besluit te formuleren.

3.2.

[eisers c.s.] . heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het besluit van 28 oktober 2021 nietig is in de zin van artikel 2:14 BW, althans vernietigbaar in de zin van artikel 2:15 BW. [eisers c.s.] . stelt dat het besluit in strijd is met de wet, omdat de vereiste instemming van de medezeggenschapsraad van het [school 1] ontbreekt, er geen behoorlijk medezeggenschapstraject is geweest en omdat er geen goedkeuring is verleend door de Minister. Het besluit is volgens [eisers c.s.] . in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, omdat er geen sprake is geweest van behoorlijke medezeggenschap, de keuze voor het Montessori onderwijsconcept niet is gebaseerd op voldoende marktonderzoek, er onder de ouders en leerlingen geen draagvlak is voor het besluit en het bijbehorende huisvestingsplan en de kwaliteit van het huidige onderwijs zwaar onder de plannen lijdt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat aan [eisers c.s.] . geen procesbevoegdheid toekomt en dat [eisers c.s.] . geen institutioneel belang heeft bij haar beroep op de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Verder voert [eisers 1 t/m 5] aan dat het besluit niet nietig of vernietigbaar is op grond van artikel 2:14 en 2:15 BW omdat het besluit niet in strijd is met de wet en omdat het besluit redelijk en noodzakelijk is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing