Rechtbank Midden-Nederland, 17-12-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6441, FT RK 21/1000, 1001 en 1002
Rechtbank Midden-Nederland, 17-12-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6441, FT RK 21/1000, 1001 en 1002
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 17 december 2021
- Datum publicatie
- 7 februari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6441
- Zaaknummer
- FT RK 21/1000, 1001 en 1002
Inhoudsindicatie
WHOA-zaak. Rechtbank kondigt bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode af totdat bij eindbeslissing op de verzoeken is beslist. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2022:166)
Uitspraak
beschikking
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: FT RK 21/1000, 1001 en 1002
Beschikking op grond van artikel 376 Fw (afkoelingsperiode) van 17 december 2021
in de zaak van
1. de besloten vennootschap
[verzoekster sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster sub 1] ”,
advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Bijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag,
en
2. de besloten vennootschap
[verzoekster sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster sub 2] ”,
advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Bijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag,
en
3. de besloten vennootschap
[verzoekster sub 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster sub 3] ”,
advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Bijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag.
Partijen zullen hierna gezamenlijk [verzoekster sub 2] c.s. worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de startverklaring van [verzoekster sub 1] van 5 november 2021, gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam,
- -
-
de startverklaringen van [verzoekster sub 2] en [verzoekster sub 3] van 5 november 2021, gedeponeerd bij de rechtbank te Utrecht,
- -
-
het verzoek van [verzoekster sub 2] c.s. van 15 december 2021.
2 Het verzoek
[verzoekster sub 2] c.s. heeft een verzoek gedaan tot het afkondigen van een afkoelingsperiode. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode houdt verband met een (voorgenomen) akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. [verzoekster sub 2] c.s. verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schuldeisers niet zal kunnen voortgaan.
[verzoekster sub 2] c.s. vraagt om Rabobank niet in de gelegenheid te stellen een zienswijze te geven, vanwege het concrete voornemen van Rabobank om verder verhaal te nemen. Daar komt bij dat sprake is van spoedeisendheid, omdat Rabobank heeft aangekondigd de kredietrelatie per 31 december 2021 te beëindigen.
3 De beoordeling
Rechtsmacht en besloten procedure
[verzoekster sub 2] c.s. heeft blijkens de startverklaringen gekozen voor besloten akkoordprocedures. [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 2] zijn statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] . Zij houden kantoor te [plaatsnaam] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om de verzoeken in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. [verzoekster sub 3] , [verzoekster sub 2] en [verzoekster sub 1] zijn groepsmaatschappijen die met elkaar in een groep verbonden zijn als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek, zodat de rechtbank ook kennis kan nemen van het verzoek van [verzoekster sub 1] . De beslotenheid van de akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee vast voor het verdere verloop van de procedure.
Afkoelingsperiode
Gelet op de gestelde spoedeisendheid en de vrees voor verhaalsacties door Rabobank zal, bij wijze van tussenbeslissing, de gevraagde afkoelingsperiode worden verleend. Nu een afkoelingsperiode met name Rabobank in haar belangen treft, zal zij op het verzoek worden gehoord alvorens een eindbeslissing wordt gegeven. De afkoelingsperiode heeft – in afwijking van het verzoek – geen betrekking op de indiening van een verzoek tot verlening van surseance van betaling, omdat een dergelijke verzoek uitsluitend door [verzoekster sub 2] c.s. zelf kan worden gedaan.
Dit heeft voorshands de volgende beslissingen tot gevolg.