Rechtbank Midden-Nederland, 30-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1261, 9142954 UC EXPL 21-2861
Rechtbank Midden-Nederland, 30-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1261, 9142954 UC EXPL 21-2861
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 30 maart 2022
- Datum publicatie
- 15 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1261
- Zaaknummer
- 9142954 UC EXPL 21-2861
Inhoudsindicatie
Bodemzaak. Artikel 54 Faillissementswet. Verrekening coronasubsidie door de bank toegestaan? Er kan geen pandrecht worden gevestigd op coronasubsidie op grond van de NOW, want die subsidie is niet overdraagbaar. Bank is echter te goeder trouw. Verrekening toegestaan.
Uitspraak
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 9142954 UC EXPL 21-2861 BvdG/1009
Vonnis van 30 maart 2022
In de zaak van:
Mr. S. Jansen
handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V.
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: de curator
gemachtigde: mr. L.M. Morsch
tegen:
de coöperatie
Coöperatieve Rabobank U.A.,
statutair gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Utrecht
gedaagde partij
hierna te noemen: Rabobank
gemachtigden: mrs. T.T. van Zanten en A.M. Mennens
en in de zaak van:
Mr. S. Jansen handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 2] B.V.
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: de curator
gemachtigde: mr. L.M. Morsch
tegen:
de coöperatie
Coöperatieve Rabobank U.A.,
statutair gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Utrecht
gedaagde partij
hierna te noemen: Rabobank
gemachtigden: mrs. T.T. van Zanten en A.M. Mennens
1 De procedure
Het gaat in deze procedure om twee zaken. In deze zaken draait het om de beantwoording van dezelfde principiële juridische vragen en de failliete bedrijven behoorden tot hetzelfde concern. De curator heeft er daarom voor gekozen om deze zaken in één dagvaarding bij de kantonrechter aanhangig te maken. De tweede zaak die in de kop van dit vonnis is vermeld, behoort gelet op het belang van die zaak, niet tot de bevoegdheid van de kantonrechter. De curator vermeldt dit ook in zijn dagvaarding. De curator heeft echter uit proceseconomische overwegingen en het belang van rechtseenheid ook deze zaak bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. Rabobank heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De kantonrechter zal daarom ook die zaak behandelen.
De volgende processtukken zijn in het geding gebracht:- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Partijen hebben laten weten dat zij geen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling en de kantonrechter verzocht om op grond van de hiervoor genoemde processtukken vonnis te wijzen.
Aan partijen is bericht dat er een vonnis zal komen.
2 Inleiding
Het gaat in deze zaken om verrekening van coronasteun die 1 á 2 weken voor het faillissement van [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV in de rekening-courantverhouding met Rabobank heeft plaatsgevonden. De te beantwoorden vraag is of deze verrekening gelet op artikel 54 lid 1 Faillissementswet (Fw) is toegestaan. De curator meent van niet en Rabobank vindt van wel.
3. De zaken in het kort
[bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV behoorden tot hetzelfde concern en exploiteerden allebei een restaurant aan het strand. Zij zijn op eigen verzoek failliet verklaard. Zij hebben daartoe op 17 april 2020 een verzoekschrift ingediend, waarna het faillissement op 21 april 2020 is uitgesproken.
[bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV financierden vanaf 28 februari 2017 bij Rabobank.
Rabobank heeft aan zowel [bedrijf 1] BV als aan [bedrijf 2] een krediet verleend van € 25.000. Daarbij hebben [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV allebei zekerheid gesteld in, onder andere, de vorm van een stil pandrecht op toekomstige vorderingen.
Er was verder zowel tussen [bedrijf 1] BV en Rabobank als tussen [bedrijf 2] BV en Rabobank sprake van een rekening-courantverhouding in de zin van artikel 6:140 Burgerlijk Wetboek (BW). De inkomende en uitgaande betalingen werden daardoor automatisch (van rechtswege) verrekend door creditering of debitering van het saldo van de bankrekening.
Op 15 maart 2020 moesten [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV hun restaurant noodgedwongen sluiten. De overheid heeft toen in verband met het coronavirus een intelligente lockdown afgekondigd en daarbij bepaald dat de horeca moest sluiten.
[bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] hebben vervolgens een beroep gedaan op overheidssteun (hierna: coronasteun). Deze steun is ook toegekend.
Bij beschikking van 10 april 2020 heeft het UWV op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) aan [bedrijf 1] BV een tegemoetkoming voor de maanden maart, april en mei 2020 toegekend van € 58.042. Daarbij is bepaald dat € 46.4.34 als voorschot door het UWV zal worden betaald in drie maandelijkse termijnen van € 15.478.
Aan [bedrijf 2] BV zijn twee tegemoetkomingen toegekend.
3.4.2.1. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) aan
[bedrijf 2] BV toegekend een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000.
3.4.2.2. Bij beschikking van 10 april 2020 heeft het UWV op grond van de NOW aan
[bedrijf 2] BV een tegemoetkoming voor de maanden maart, april en mei 2020 toegekend van € 75.655. Daarbij is bepaald dat € 60.522 als voorschot door het UWV zal worden betaald in drie maandelijkse termijn van € 20.174.
De hiervoor genoemde toegekende tegemoetkomingen zijn ook deels betaald en door Rabobank verrekend in de rekening-courantverhouding met respectievelijk [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV.
Op 14 april 2020 is € 15.478 aan coronasteun (de eerste termijn) bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 1] BV bij Rabobank. Dit bedrag is vervolgens nog diezelfde dag automatisch (van rechtswege) verrekend in de rekening-courantverhouding tussen [bedrijf 1] BV en Rabobank. Het saldo op de bankrekening van [bedrijf 1] BV is daarbij gewijzigd van - € 25.596,94 naar - € 10.118,94.
Op 7 april 2020 is de eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 2] BV bij Rabobank. Dit bedrag is vervolgens nog diezelfde dag automatisch (van rechtswege) verrekend in de rekening-courantverhouding tussen [bedrijf 2] BV en Rabobank. Daarbij is het saldo op de bankrekening van [bedrijf 2] BV gewijzigd van - € 25.807,52 naar - € 21.807,52.
Op 14 april 2020 is € 20.174 aan coronasteun (de eerste termijn) bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 2] BV bij Rabobank. Dit bedrag is vervolgens nog diezelfde dag automatisch (van rechtswege) verrekend in de rekening-courantverhouding tussen [bedrijf 2] BV en Rabobank.
Daarbij is het saldo op de bankrekening van [bedrijf 2] BV gewijzigd van - € 24.032,77 naar - € 3.858,77.
De curator stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de in 3.5.1. tot en met 3.5.3. genoemde verrekeningen van de door de overheid aan [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV betaalde coronasteun op grond van artikel 54 lid 1 Fw niet zijn toegestaan en dat de daarmee gemoeide bedragen toekomt aan de boedel van het faillissement van [bedrijf 1] BV/ [bedrijf 2] BV.
Daarbij voert de curator aan dat in dit geval geen sprake is van de door de Hoge Raad in het arrest van 17 februari 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC:1641, Mulder q.q. /CLBN) geformuleerde uitzondering dat artikel 54 lid 1 Fw niet van toepassing is als de betaling die de derde verricht dient tot voldoening van een vordering van de rekeninghouder op die derde die aan de bank stil is verpand. Deze uitzondering doet zich niet voor, omdat, zo voert de curator aan, er geen pandrecht kan worden gevestigd op de coronasteun, aangezien de coronasteun niet overdraagbaar is. De curator beroept zich daarbij op het arrest van Hoge Raad van 12 januari 1990 (NJ 1990/766, Staat/Appels).
De curator vordert in deze zaken dat:
1. voor recht wordt verklaard dat: a. de verrekening van de door aan [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV betaalde coronasteun (3.5.1. tot en met 3.5.3.) in strijd is met artikel 54 lid 1 Fw, b. Rabobank geen beroep toekomt op de uitzonderingsregel uit het Mulder q.q./CLBN arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1995, 2. Rabobank wordt veroordeeld tot betaling aan de boedel in het faillissement van [bedrijf 1] BV van: a. € 15.478 te vermeerderen met wettelijke rente, b. € 929,78 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente,
3 Rabobank wordt veroordeeld tot betaling aan de boedel in het faillissement van [bedrijf 2] BV: a. € 24.174 te vermeerderen met wettelijke rente, b. € 1.016,74 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente.
Rabobank voert daartegen gemotiveerd verweer. Zij voert kort gezegd aan dat:1. Artikel 54 Fw in dit geval toepassing mist, omdat: a. Rabobank zich niet op de op de rekening van [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV bijgeschreven coronasteun heeft verhaald.
b. er een stil pandrecht rustte op de door de overheid aan [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV betaalde coronasteun.
2. als artikel 54 Fw wel van toepassing is, niet voldaan is aan het vereiste dat Rabobank niet te goeder trouw was op het moment van de “schuldoverneming”.