Home

Rechtbank Midden-Nederland, 31-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1329, FT RK 22/124, 125, 126

Rechtbank Midden-Nederland, 31-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1329, FT RK 22/124, 125, 126

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31 maart 2022
Datum publicatie
3 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:1329
Zaaknummer
FT RK 22/124, 125, 126

Inhoudsindicatie

WHOA-zaak. Verzoek aspecten die van belang zijn in het kader van het tot stand brengen van een akkoord. Voornemen prejudiciele vraag te stellen.

Uitspraak

beschikking

Afdeling Toezicht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: FT RK 22/124, 125 en 126

Beschikking op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek) van 31 maart 2022

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap

[verzoekster sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verzoekster,

hierna te noemen: “ [verzoekster sub 1] ”,

advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Beijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag,

2. de besloten vennootschap

[verzoekster sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verzoekster,

hierna te noemen: “ [verzoekster sub 2] ”,

advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Beijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag,

3. de besloten vennootschap

[verzoekster sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verzoekster,

hierna te noemen: “ [verzoekster sub 3] ”,

advocaten: mr. J. van den Dolder te Oud-Beijerland en mr. K.C. Mensink te Den Haag.

Verzoeksters zullen hierna gezamenlijk [verzoekster sub 2] c.s. worden genoemd.

Belanghebbenden:

1. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

hierna: “Rabobank”,

advocaat: mr. J.R. van Faassen te Utrecht,

2. de besloten vennootschap

[belanghebbende 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna: “ [belanghebbende 2] ”,

advocaat: mr. W.L.H. Aerts te Eindhoven,

3. de besloten vennootschap

[belanghebbende 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

hierna: “ [belanghebbende 3] ”,

advocaat: mr. W.L.H. Aerts te Eindhoven,

4. de besloten vennootschap

[belanghebbende 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1]

hierna ook: “ [belanghebbende 4] ”,

advocaat: mr. W.L.H. Aerts te Eindhoven,

5. mevrouw

[belanghebbende 5] ,

hierna: “ [belanghebbende 5] ”

advocaat: mr. W.L.H. Aerts te Eindhoven,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN

gevestigd te Amsterdam,

hierna: “UWV”,

gemachtigde: mr. [A] .

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

de beschikking van 16 februari 2022,

-

het ‘herziene verzoekschrift’ van [verzoekster sub 2] c.s. van 21 februari 2022,

-

de brief van UWV van 23 februari 2022,

-

de brief van mr. Aerts van 24 februari 2022,

-

de e-mail van [coöperatieve vereniging] van 28 februari 2022,

-

de e-mail van mr. Aerts van 4 maart 2022,

-

de zienswijze van Rabobank van 9 maart 2022,

-

de spreekaantekeningen van [verzoekster sub 2] c.s., met bijlagen 27 en 28.

1.2.

De rechtbank heeft in de beschikking van 16 februari 2022 bepaald dat [verzoekster sub 2] c.s. onverwijld de belanghebbenden bij het verzoek op grond van artikel 378 Fw wijst op de mogelijkheid om deel te nemen aan de behandeling en een schriftelijke zienswijze in te dienen.

1.3.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank Midden-Nederland via een videoverbinding op 9 maart 2022. Daarbij zijn verschenen:

-

mevrouw [B] , [verzoekster sub 2] c.s.,

-

mevrouw drs. [C] , [onderneming 1] ,

-

mevrouw mr. J. van den Dolder, voornoemd,

-

de heer mr. K.C. Mensink, voornoemd,

-

de heer [D] , Rabobank,

-

mevrouw [E] , Rabobank,

-

mevrouw [F] , Rabobank,

-

de heer mr. J.R. van Faassen, voornoemd,

-

mevrouw [G] , [belanghebbende 4] ,

-

de heer [H] , [belanghebbende 3] B.V.,

-

de heer mr. W.L.H. Aerts, voornoemd,

-

mevrouw mr. [A] , UWV.

1.4.

[verzoekster sub 2] c.s. heeft verschillende belanghebbenden opgeroepen. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verzoeken zich uitsluitend richten tot Rabobank.

2 De feiten

2.1.

Ingaande 17 december 2021 werd eerst voorlopig en vervolgens definitief een afkoelingsperiode gelast voor de duur van twee maanden. Deze afkoelingsperiode werd op 16 februari 2022 verlengd met nog eens drie maanden. De voor deze beslissingen relevante feiten werden opgenomen in de beschikking van 18 januari 2022.

2.2.

[verzoekster sub 3] , [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] zijn onderdeel van eenzelfde concern. [verzoekster sub 2] c.s. verhuurt kunstwerken aan bedrijven en particulieren. [verzoekster sub 1] houdt alle aandelen in het kapitaal van [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 2] . [verzoekster sub 3] beheert de voorraden en heeft overeenkomsten gesloten met klanten en kunstenaars. De omzet wordt door [verzoekster sub 3] ontvangen. De bedrijfskosten, waaronder de personeelskosten, worden voldaan vanuit [verzoekster sub 2] . In het hierna te bespreken rapport van [onderneming 1] is het concern van [verzoekster sub 2] c.s. als volgt weergegeven.

Consignatievoorraden

2.3.

[verzoekster sub 2] c.s. houdt een grote hoeveelheid kunstwerken in consignatie. De voorwaarden waaronder de kunstwerken in consignatie zijn gegeven, zijn vastgelegd in overeenkomsten tussen [verzoekster sub 3] en de leverancier van de kunstwerken (in deze beslissing en in de overeenkomsten aangeduid als de “kunstenaar”). In deze overeenkomsten en de daarbij behorende algemene voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

1. Doelstelling. Partijen komen overeen dat Kunstenaar Kunstwerken in consignatie geeft aan [verzoekster sub 3] . Kunstenaar machtigt [verzoekster sub 3] , inclusief de met haar in een groep verbonden vennootschappen en [stichting] , om zijn aan [verzoekster sub 3] geleverde Kunstwerken in bruikleen te geven, te verhuren en te verkopen aan derden en verleent [verzoekster sub 3] daartoe hierbij een licentie zoals omschreven in de hierna te noemen Consignatie Voorwaarden.

4. Huurvergoeding. Kunstenaar ontvangt voor ieder Kunstwerk een Huurvergoeding gedurende de periode dat dit Kunstwerk door [verzoekster sub 3] is verhuurd, conform de regeling zoals opgenomen in de in die betreffende periode toepasselijke versie van de Consignatie Voorwaarden.

5. Aankoop en overdracht auteursrecht/licentie. Als een Kunstwerk wordt aangekocht, ontvangt Kunstenaar hiervan bericht van [verzoekster sub 3] . De Aankoopprijs wordt berekend conform de regeling opgenomen in de op dat moment toepasselijke versie van de Consignatie Voorwaarden en dit wordt meegenomen in de maandelijkse overzichten. De Kunstenaar draagt hierbij bij voorbaat en onherroepelijk alle auteursrechten ter zake van het Kunstwerk, zoals dat staat gespecificeerd op de bijbehorende paklijst, in de ruimste zin des woords, over aan [verzoekster sub 3] , welke overdracht [verzoekster sub 3] hierbij bij voorbaat aanvaardt. Kunstenaar doet daarbij op voorhand tevens afstand (voor zover wettelijk mogelijk) van zijn persoonlijkheidsrechten ter zake van de Kunstwerken. [...]

3 AANKOOP

1. Behoud eigendom. Kunstenaar behoudt het eigendomsrecht op ieder Kunstwerk, tenzij [verzoekster sub 3] overgaat tot aankoop of het Kunstwerk verkoopt aan een derde. Het eigendom, alsook de auteursrechten (indien van toepassing op grond van de Overeenkomst), gaan in dat geval over op het moment dat [verzoekster sub 3] de Aankoopprijs aan Kunstenaar heeft voldaan.

2. Recht aankoop. Terzake ieder Kunstwerk heeft [verzoekster sub 3] het eerste recht tot aankoop, tenzij Partijen schriftelijk overeen zijn gekomen dat aankoop van dit Kunstwerk door [verzoekster sub 3] is uitgesloten.

3. Aankoopprijs. Indien [verzoekster sub 3] een Kunstwerk aankoopt, dan wordt de prijs die [verzoekster sub 3] aan Kunstenaar verschuldigd is voor deze aankoop (“Aankoopprijs”) door [verzoekster sub 3] bepaald volgens de berekeningswijze in dit artikel, tenzij Partijen uitdrukkelijk een lagere Aankoopprijs zijn overeengekomen. De Aankoopprijs wordt op het maandelijkse vergoedingenoverzicht aan Kunstenaar bevestigd.

4. Berekening Aankoopprijs. De Aankoopprijs van een Kunstwerk is de Inkoopprijs, verminderd met (een deel van) de Huurvergoeding die Kunstenaar tot het moment van aankoop heeft ontvangen voor het betreffende Kunstwerk. De Aankoopprijs wordt zo berekend, dat de totale opbrengst voor Kunstenaar, zijnde de som van de door Kunstenaar tot aankoop ontvangen Huurvergoeding en de Aankoopprijs, minimaal 110% van de Inkoopprijs bedraagt (“Gegarandeerde Opbrengst”). Er geldt geen maximum voor de totale opbrengst. De Aankoopprijs is minimaal 10% van de Inkoopprijs, ook als de totale opbrengst voor Kunstenaar hierdoor meer dan 110% van de Inkoopprijs is.

5. Voorbeeld 1. Als Kunstenaar tot de aankoop van een Kunstwerk 50% van de Inkoopprijs aan Huurvergoeding heeft ontvangen, dan bedraagt de Aankoopprijs van dit Kunstwerk 60% (110% - 50%) van de Inkoopprijs. De totale opbrengst voor Kunstenaar is 110% van de Inkoopprijs.

6. Voorbeeld 2. Als Kunstenaar tot de aankoop van een Kunstwerk 150% van de Inkoopprijs aan Huurvergoeding heeft ontvangen, dan bedraagt de Aankoopprijs van dit Kunstwerk 10% (minimum) van de Inkoopprijs. De totale opbrengst voor Kunstenaar is 160% van de Inkoopprijs.

6 OVERIG

3 De verzoeken en zienswijzen

4 De beoordeling

5 De beslissing