Home

Rechtbank Midden-Nederland, 08-04-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1357, HO RK 22/221

Rechtbank Midden-Nederland, 08-04-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1357, HO RK 22/221

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
8 april 2022
Datum publicatie
19 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:1357
Zaaknummer
HO RK 22/221

Inhoudsindicatie

WHOA. Afwijzing verzoek afkoelingsperiode. Niet kan worden uitgesloten dat de schuldeisers in geval van voortzetting van de onderneming juist slechter af zouden zijn.

Uitspraak

beschikking

Afdeling Toezicht

locatie Utrecht

rekestnummer: HO RK 22/221uitspraakdatum: 8 april 2022

Beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. S. Voorhorst te Utrecht,

hierna te noemen: [verzoekster] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de startverklaring van 11 maart 2022 van [verzoekster] ,- het verzoekschrift van [verzoekster] om een afkoelingsperiode te gelasten, ter griffie van deze rechtbank binnengekomen op 11 maart 2022,

- de nagekomen producties van [verzoekster] , ter griffie van deze rechtbank binnengekomen op 23 maart 2022.

1.2.

Het verzoekschrift werd behandeld door middel van een videoverbinding in raadkamer op 25 maart 2022. Ter zitting zijn gehoord: - de heer. [A] , middellijk bestuurder van [verzoekster] ;- mr. Voorhorst, voornoemd,

- mr. N. van Tussenbroek, advocaat te Rotterdam, namens [handelsnaam] , crediteur en aanvrager faillissement.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is gevestigd in [vestigingsplaats] en drijft een onderneming waarbij zij opslagruimte aanbiedt aan particulieren en bedrijven. Zij biedt een dienst aan waarbij een opslagbox op een gewenst adres wordt afgeleverd. [verzoekster] haalt de opslagbox weer op en plaatst deze in opslag.

2.2.

[verzoekster] is opgericht op 21 oktober 2009. De bestuurder van [verzoekster] houdt indirect – via [onderneming 1] B.V. - 52,5 % van de aandelen. Daarnaast zijn er nog drie aandeelhouders, te weten [onderneming 2] B.V. (27,5%), [onderneming 3] B.V. (10%) en [onderneming 4] B.V. (5%).

2.3.

[verzoekster] heeft een totale schuldenlast van € 912.363,--, waaronder een schuld aan de Belastingdienst van (geschat) € 150.000,-- .

2.4.

De rechtbank is bekend met het verzoek tot faillietverklaring van de heer [B] h.o.d.n [handelsnaam] . De rechtbank heeft de heer [B] aangemerkt als belanghebbende en als zodanig in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze te geven op het verzoek. [B] stelt een vordering van € 12.342,- op [verzoekster] te hebben en heeft op 4 februari 2022 het faillissement van [verzoekster] aangevraagd. De behandeling van het verzoek tot faillietverklaring is aangehouden tot 29 maart 2022.

2.5.

In de op 10 maart 2022 gedeponeerde startverklaring en in het verzoekschrift heeft

[verzoekster] toegezegd dat zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden, een akkoord zal worden aangeboden.

3 De standpunten

3.1.

[verzoekster] stelt dat zij in de basis een gezond en te redden bedrijf is met maandelijkse inkomsten van rond € 40.000,--, met de mogelijkheid om door te groeien tot € 50.000,-- per maand. [verzoekster] heeft geïnvesteerd in 500 houten opslagboxen die bij maximale benutting deze hogere omzet genereren. Door een samenloop van omstandigheden – aangetrokken aandeelhouders die geen actieve rol zijn gaan spelen, investering in automatisering die uitbleven – is de omzet in het verleden achtergebleven. Ook is er een conflict over de betalingen aan betrokken dienstverleners ontstaan. Inmiddels is de verwachting dat, indien de problemen uit het verleden worden opgelost, de onderneming in de loop van 2022 een groei van de omzet voor belastingen zal kunnen bewerkstelligen. Weliswaar heeft [verzoekster] in boekjaar 2021 een negatief resultaat behaald, maar dit komt door eenmalige transacties die het resultaat negatief beïnvloeden. In het kader van de besparing heeft [verzoekster] 1,5 fte ontslagen. Thans werken alleen [A] en een chauffeur nog voor de onderneming.

3.2.

Ingeval van faillissement zal er geen uitkering voor concurrente crediteuren volgen. De waarde van de onderneming in faillissement is ook vele malen lager dan de waarde van de onderneming going concern, omdat de naam dan “besmet” zou raken door het faillissement. Ten behoeve van een buitengerechtelijk akkoord worden momenteel drie mogelijkheden onderzocht:

  1. voortzetting van de onderneming met behulp van extra financiering (hierna: optie 1);

  2. verkoop van activa, waarbij de schuldeisers op termijn worden voldaan, maar dan wel betalingsuitstel moeten verlenen (hierna: optie 2);

  3. verkoop van activa, waarbij de schuldeisers ineens een deel van hun vordering betaald krijgen (optie 3).

Optie 2 en optie 3 leiden tot een gecontroleerde afwikkeling van de huidige vennootschap. Zonder afkoelingsperiode is een faillissement op termijn onvermijdelijk, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.

[handelsnaam] concludeert tot afwijzing van het verzoek afkoelingsperiode. Een afkoelingsperiode is niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Niet is gebleken dat een akkoord buiten faillissement een goed alternatief voor een faillissement is. Er is geen liquiditeitsbegroting overgelegd en evenmin wordt aan de eisen van een afkoelingsperiode voldaan. Bovendien biedt een faillissement meer waarborgen voor de schuldeisers, onder meer doordat het (rechtmatigheids-) onderzoek plaatsvindt.

4 De beoordeling

5 De beslissing