Rechtbank Midden-Nederland, 29-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1358, C/16/534938 / KG ZA 22-70
Rechtbank Midden-Nederland, 29-03-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1358, C/16/534938 / KG ZA 22-70
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 29 maart 2022
- Datum publicatie
- 24 mei 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1358
- Zaaknummer
- C/16/534938 / KG ZA 22-70
Inhoudsindicatie
Vordering tot verwijdering registraties, stevige verdenking van fingeren dienstverband bij aanvraag hypotheek, niet vastgesteld dat partner wist of moest hebben geweten dat onjuiste gegevens zijn verstrekt zodat haar registraties verwijderd moeten worden.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/534938 / KG ZA 22-70
Vonnis in kort geding van 29 maart 2022
in de zaak van
[eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
en
[eiseres sub 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eisers,
advocaat mr. M.M.P.E. van Helmond te Breda,
tegen
de coöperatie uitgesloten van aansprakelijkheid
RABOBANK U.A.,
gevestigd te UTRECHT,
gedaagde,
advocaat mr. P.W. van Kooij te Leiden.
Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en Rabobank genoemd worden.
1 De procedure
Op 18 februari 2022 hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een kort geding dagvaarding met 15 producties uitgebracht tegen Rabobank. Vervolgens is de datum van de mondelinge behandeling bepaald. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Rabobank 12 producties overgelegd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben nog de producties 16 tot en met 18 overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022. Namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] was mr. M.M.P.E. van Helmond aanwezig. Namens Rabobank was mevrouw [A] , [functie] , aanwezig samen met mr. [B] . Partijen hebben hun standpunten toegelicht van een pleitnota en zij hebben antwoord gegeven op de vragen van de voorzieningenrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In februari 2020 hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een oriëntatiegesprek gehad met Rabobank in verband met de aanvraag van een hypotheek. Op verzoek van Rabobank heeft [eiser sub 1] een werkgeversverklaring aangeleverd van zijn werkgever, [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). Op verzoek van Rabobank heeft [eiser sub 1] op 15 mei 2020 een nieuwe werkgeversverklaring toegestuurd aan Rabobank.
Op 24 augustus 2020 heeft de Rabobank aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een hypothecaire geldlening verstrekt voor de aangekochte en nieuw te bouwen woning aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] .
Op 17 november 2020 is het faillissement van [onderneming] uitgesproken.
Op 10 september 2021 heeft Rabobank een aangetekende brief gestuurd naar [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] waarin staat dat zij onderzoek heeft verricht en dat het vermoeden is gerezen dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] valsheid in geschrifte hebben gepleegd en gepoogd hebben de bank op te lichten. In de brief staat als reden daarvoor het volgende: “U heeft op 19-5-2020 een financiering aangevraagd voor een nieuw te bouwen woning aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] . Bij deze aanvraag heeft u een dienstverband aangetoond bij [onderneming] BV. U zou hier sinds 1-1-2020 als Senior Accountmanager in vaste dienst zijn. Echter blijkt uit de KvK gegevens dat [onderneming] in staat van faillissement is gesteld. Uit het faillissementsverslag blijkt dat de winkel sinds half maart 2020 gesloten is.”
In de brief staat verder dat Rabobank voornemens is om de gegevens van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de database van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (hierna: SFH) te registreren en om de gegevens op te nemen in het Incidentenregister, Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) en het Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR). Rabobank heeft [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht om uiterlijk 24 september 2021 een reactie te geven op de vermoedens en aangekondigd over te gaan tot het doen van aangifte, melding bij SFH en opname in het EVR en IVR als zij niet zouden reageren.
Op 13 oktober 2021 heeft Rabobank een aangetekende brief gestuurd aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] waarin staat dat zij aangifte heeft gedaan van oplichting en hypotheekfraude en dat de gegevens zijn opgenomen in het Incidentenregister, IVR en EVR voor de duur van 8 jaar.
Op 15 oktober 2021 hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een reactie gegeven op de brief van Rabobank van 10 september 2021, inhoudende dat zij geen valsheid in geschrifte hebben gepleegd en niet hebben geprobeerd Rabobank op te lichten. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzoeken om hun gegevens niet op te nemen in de door Rabobank genoemde registers.
Op 18 oktober 2021 heeft Rabobank aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] bericht dat het dossier is afgerond omdat Rabobank op basis van twee informatieverzoeken (van 2 augustus 2021 en 10 september 2021) geen reactie heeft vernomen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben op deze brief gereageerd bij schrijven van 20 oktober 2021. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] maken in de brief wederom bezwaar tegen de aangifte en tegen de registratie van hun gegevens in de verschillende registers.
Bij brief van 22 november 2021 heeft de Rabobank aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] laten weten dat de registraties van de persoonsgegevens gerechtvaardigd zijn en dat zij voornemens is de bankrelatie met hen op te zeggen. Bij brief van 3 december 2021 heeft de advocaat van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gereageerd op het schrijven van Rabobank. De advocaat heeft namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] het standpunt herhaalt dat [eiser sub 1] wel degelijk een dienstverband had bij [onderneming] en dat daarom niet vaststaat dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de verweten gedragingen zouden hebben begaan. De advocaat van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft daarom verzocht de persoonsgegevens uit de diverse registers te verwijderen.
Bij e-mail van 16 december 2021 heeft Rabobank het verzoek van de advocaat van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] afgewezen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn daarom deze kort geding procedure gestart.
3 Het geschil
Wat vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en waarom?
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat hun persoonsgegevens die zijn opgenomen in de database van de SFH, het Incidentregister en het EVR en IVR worden verwijderd, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van Rabobank in de proceskosten en nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.
Ter onderbouwing van de vordering stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat er geen sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat deze een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Wetboek van Strafvordering kunnen dragen. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft Rabobank de persoonsgegevens ten onrechte en in strijd met het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen en de van toepassing zijnde jurisprudentie in de betreffende registers opgenomen. [eiser sub 1] betwist met klem dat hij het dienstverband met [onderneming] gefingeerd heeft om een hypotheek te kunnen aanvragen. [eiser sub 1] stelt dat hij wel degelijk bij [onderneming] werkzaamheden heeft verricht en geen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen verder dat Rabobank in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor, door over te gaan tot aangifte en opname in de registers zonder dat de gronden die daaraan ten grondslag lagen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te communiceren. Tot slot stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zich op het standpunt dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden voordat de gegevens in de registers werden opgenomen en dat hun belang zwaarder dient te wegen dan de belangen van Rabobank.
Wat is het verweer van Rabobank tegen de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ?
Kort gezegd stelt Rabobank zich op het standpunt dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een fictief dienstverband hebben aangevoerd om een hypothecaire geldlening te krijgen. Rabobank stelt dat zij in juli 2021 door het OM is benaderd en heeft vernomen dat het door [eiser sub 1] opgegeven dienstverband fictief zou zijn. Rabobank is daarom een onderzoek gestart. Rabobank heeft vervolgens om informatie gevraagd van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , maar een reactie van hun zijde is uitgebleven. Volgens Rabobank staat vast dat de werkgeversverklaring van 1 februari 2020 vervalst is. Verder wijzen volgens Rabobank de toegezonden salarisstroken op een fictief dienstverband. [eiser sub 1] heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de lengte van het dienstverband. Rabobank stelt zich verder op het standpunt dat uit geen enkel stuk valt af te leiden dat [eiser sub 1] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor [onderneming] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.