Home

Rechtbank Midden-Nederland, 25-05-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2321, C/16/496535 / HA RK 20-20

Rechtbank Midden-Nederland, 25-05-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2321, C/16/496535 / HA RK 20-20

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25 mei 2022
Datum publicatie
29 september 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:2321
Zaaknummer
C/16/496535 / HA RK 20-20

Inhoudsindicatie

Inzageverzoek op grond van de AVG. Misbruik van recht. Verzoek wordt afgewezen. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2022:2320)

Uitspraak

beschikking

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/496535 / HA RK 20-20

Beschikking van 25 mei 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verschenen in persoon,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPMG STAFFING & FACILITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

[functie 1] bij KPMG [.] ,

kantoorhoudende te [plaats 1] ,

[functie 2] bij KPMG [.] ,

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

(thans) eigenaar van [onderneming 1] B.V.,

kantoorhoudende te [plaats 3] ,

(thans) werkzaam als managing director ( [..] ) bij [onderneming 2] ,

kantoorhoudende te [plaats 4] .

verweerders,

advocaten mr. R.L. Ubels en mr. K.W.G. Heesterbeek te Amsterdam.

Verzoeker wordt hierna [verzoeker] genoemd. Verweerder sub 1 wordt hierna KPMG genoemd. Verweerders sub 2 tot en met 5 worden hierna gezamenlijk ‘de accountants’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 30 januari 2020 een verzoekschrift met 16 bijlagen ingediend ex. artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) jegens KPMG en de accountants. Gelijktijdig heeft [verzoeker] een soortgelijk verzoekschrift ingediend jegens [vereniging] , dat is geregistreerd onder nummer C/16/497205 / HA RK 20-33. Op dit verzoek zal bij afzonderlijke beschikking eveneens heden uitspraak worden gedaan.

1.2.

Op 21 september 2020 heeft [verzoeker] ter griffie ingediend een aanvulling onderbouwing van zijn verzoekschriften.

1.3.

De griffier heeft KPMG en de accountants in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Desgevraagd is hen daarvoor uitstel verleend. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat het verzoek (gelijktijdig met het verzoek jegens [vereniging] ) mondeling moet worden behandeld. Mede gelet op de Covid-19 beperkingen is de mondelinge behandeling uiteindelijk bepaald op 21 februari 2022.

1.4.

Op 20 augustus 2021 is ter griffie ingekomen het verweerschrift van KPMG en de accountants met 10 bijlagen.

1.5.

Op 7 februari 2022 heeft [verzoeker] ter griffie ingediend een brief met overlegging nadere producties, met aangehecht 12 producties (genummerd 1 tot en met 12).

1.6.

Bij e-mailbericht van 14 februari 2022 hebben KPMG en de accountants verzocht de brief met overlegging nadere producties van [verzoeker] in verband met goede procesorde buiten beschouwing te laten.

1.7.

Bij e-mailbericht van 16 februari 2022 heeft [verzoeker] verzocht het verweerschrift buiten beschouwing te laten, omdat dit niet naar zijn huidige woonadres is gestuurd en ook door de rechtbank niet naar dat adres is doorgestuurd. Hierdoor heeft hij pas laat kennis kunnen nemen van het verweerschrift.

1.8.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2022, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek tegen [vereniging] . [verzoeker] is in persoon verschenen. Namens [vereniging] zijn verschenen mevrouw mr. [A] ( [functie 3] ), mrs. Ubels en mr. Heesterbeek (advocaten). Namens KPMG en de accountants zijn verschenen de heer [B] ( [functie 4] ), mrs. J.G.S. Bakker en mr. E.F. Vaal (advocaten). Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen bijgehouden. Op de mondeling behandeling heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] en KPMG en de accountants om respectievelijk het verweerschrift en de brief met overlegging nadere producties buiten beschouwing te laten, afgewezen. [verzoeker] heeft in de op 7 februari 2022 overgelegde brief (onder punt 8) aangegeven dat een aantal vragen aan KPMG en de accountants moeten worden gesteld. De rechtbank heeft ter zitting aan [verzoeker] te kennen gegeven dit verzoek op voorhand niet te honoreren, mede gelet op de uitvoerige processtukken en de tijd die voor de behandeling van de verzoeken is uitgetrokken.

1.9.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Van 15 juni 2004 tot 1 augustus 2011 was [verzoeker] werkzaam als ambtenaar bij de Gemeente [gemeente] . Daar hield hij zich bezig met [...] .

2.2.

[vereniging] is de [....] . [vereniging] ontplooit [.....] .

2.3.

KPMG [......] N.V. heeft in opdracht van de gemeente [gemeente] in de periode 2012 en 2015 een tweetal onderzoeken uitgevoerd naar mogelijke onregelmatigheden in relatie tot [verzoeker] en aan hem gelieerde (rechts)personen.

2.4.

De resultaten van voormelde onderzoeken hebben (mede) aanleiding gegeven tot de volgende door of tegen [verzoeker] ingestelde juridische procedures.

Zo is [verzoeker] op 16 juli 2020 door de rechtbank Rotterdam strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschifte en gewoontewitwassen. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat die procedure nog aanhangig is. Daarnaast heeft [verzoeker] meerdere tuchtrechtelijke procedures tegen KPMG en de bij het onderzoek betrokken accountants aanhangig gemaakt. Deze klachten zijn allen ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is [verzoeker] failliet verklaard. Dat faillissement is nog niet afgewikkeld. Verder zijn [verzoeker] en de aan hem gelieerde ondernemingen meermaals civielrechtelijk aangesproken (door de gemeente [gemeente] en [vereniging] ), onder meer wegens het zonder opdracht en toestemming onrechtmatig onttrekken van bedragen. Daarin is [verzoeker] telkens veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Op dit moment is er nog één civiele procedure aanhangig. Die procedure is aangehouden in verband met het faillissement van [verzoeker] .

2.5.

Bij brief van 20 september 2019 heeft [verzoeker] KPMG verzocht om binnen 4 weken een overzicht te verstrekken van de verwerkte persoonsgegevens. Bij e-mail van 20 oktober 2019, mede gericht aan onder meer de accountants, heeft [verzoeker] zijn verzoek aangevuld.

2.6.

Op 20 december 2019 heeft KPMG schriftelijk gereageerd op het inzageverzoek. Daarbij heeft KPMG een overzicht van de door haar verwerkte persoonsgegevens meegestuurd.

2.7.

Bij e-mails van 20 december 2019 en 21 december 2019, mede gericht aan de accountants, heeft [verzoeker] meegedeeld dat het toegestuurde overzicht onvolledig is en verzocht om alsnog op volledige wijze uitvoering te geven aan zijn verzoek.

2.8.

KPMG heeft bij e-mail van 24 december 2019 (doorgestuurd op 25 december 2019) gereageerd en meegedeeld dat zij uitvoering heeft gegeven aan het verzoek en de behandeling van het verzoek dan ook als afgerond beschouwt.

2.9.

Bij e-mail van 28 december 2019, mede gericht aan de accountants, heeft [verzoeker] KPMG er nogmaals op gewezen dat haar antwoord verre van compleet is. Bij e-mail van 1 januari 2020 heeft [verzoeker] de accountants meegedeeld dat hij hen, gelet op het ontvangen antwoord van hun (voormalig)werkgever, persoonlijk in gebreke stelt gelet op de inmiddels ruimschoots verstreken reactietermijn.

2.10.

Bij e-mail van 9 januari 2020 (doorgestuurd op 10 januari 2020) heeft KPMG nogmaals betwist dat zij op enige wijze in gebreke zijn.

2.11.

Op 23 januari 2020 heeft [verzoeker] per e-mail aan KPMG bericht dat hij nog steeds geen correct en compleet overzicht heeft ontvangen op zijn verzoek. Daarbij heeft [verzoeker] meegedeeld dat als hij niet binnen één dag een correct en volledig antwoord ontvangt, hij een vordering ex. artikel 35 UAVG zal starten.

2.12.

Bij e-mail van 24 januari 2020 (doorgestuurd op diezelfde dag) heeft KPMG bericht dat zij betwist op enigerlei wijze in gebreke zou zijn.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] is van mening dat het door KPMG en de accountants verstrekte verwerkingsoverzicht onvolledig is. Hij verzoekt de rechtbank daarom – zakelijk weergegeven – KPMG en de accountants te bevelen hem binnen 4 weken een overzicht te verstrekken van de persoonsgegeven die KPMG en de accountants over hem in de administratie hebben opgenomen over de periode 1 januari 2012 tot 1 november 2019. Verder vraagt [verzoeker] te bepalen dat in dit overzicht wordt opgenomen:

  1. een omschrijving van het doel/doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens;

  2. welke persoonsgegevens (zonder zijn toestemming) aan derden zijn verstrekt en welke persoonsgegevens door derden zijn verkregen en;

  3. welke documenten door derden zijn verstrekt aan KPMG en welke informatie is verkregen door interviews (van medewerkers van KPMG) met derden.

Ook verzoekt [verzoeker] om KPMG en de accountants te bevelen aan hem te verstrekken een kopie van de door derden aan KPMG verstrekte documenten en de interviewverslagen. Tot slot verzoekt [verzoeker] te bepalen dat KPMG en de accountants bij het overzicht mededelen op welke wijze is voorzien in de verplichtingen van artikel 9 lid 2 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) / artikel 6 en 24 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Zulks met een dwangsom van € 15.000,- per dag, ingaande op 28 december 2019.

3.2.

KPMG en de accountants hebben verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] . In bijlage 9 van haar verweerschrift hebben KPMG en de accountants een aangepast verwerkingsoverzicht overgelegd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing