Home

Rechtbank Midden-Nederland, 24-08-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3318, C/16/530475 / HA ZA 21-753

Rechtbank Midden-Nederland, 24-08-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3318, C/16/530475 / HA ZA 21-753

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24 augustus 2022
Datum publicatie
21 september 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:3318
Zaaknummer
C/16/530475 / HA ZA 21-753

Inhoudsindicatie

Handelszaak. Is handhaven van executoriaal loonbeslag door de bank onrechtmatig omdat de vordering waarvoor dit beslag is gelegd is verjaard? Geoordeeld wordt van niet. De vordering waarvoor het executoriale loonbeslag is gelegd, is door dit executoriale loonbeslag maandelijks gestuit. Er is daardoor geen sprake van verjaring.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/530475 / HA ZA 21-753

Vonnis van 24 augustus 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat mr. H.D. Wind te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: de bank,

advocaat mr. A.J.H. Peters te Rosmalen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met productie 1 tot en met 3,

-

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in (voorwaardelijke) reconventie met de producties 1 tot en met 11,

-

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met de producties 4 tot en met 8,

-

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie met de producties 12 tot en met 14.

1.2.

[eiser] heeft ervan afgezien om een conclusie van dupliek in reconventie te nemen.

1.3.

Daarna is aan partijen bericht dat er een vonnis zal komen.

2 Inleiding

In deze zaak draait het vooral om de vraag of de bank onrechtmatig een executoriaal loonbeslag ten laste van [eiser] heeft gehandhaafd. Dat zou onrechtmatig zijn, omdat de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt op 2 november 2017 zou zijn verjaard. Dat is niet het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom dit zo is. Eerst zullen wat relevante feiten en omstandigheden worden opgenomen en de standpunten van partijen.

3 Waar gaat de zaak over?

De feiten

3.1.

De bank heeft in 2007 een geldlening van € 312.500 verstrekt aan [eiser] en zijn ex-partner mevrouw [A] . Als zekerheid voor de terugbetaling van die geldlening vermeerderd met rente en kosten hebben [eiser] en [A] onder andere een eerste recht van hypotheek op hun woning aan de bank gegeven. Dit is vastgelegd in de hypotheekakte van 5 februari 2007 waarvan een grosse is afgegeven (productie 1 van de bank).

3.2.

In 2010 heeft de bank de geldlening in zijn geheel opgeëist, omdat er een achterstand was ontstaan in de aflossing van de geldlening.

3.3.

Op 24 augustus 2010 heeft de bank executoriaal beslag gelegd op het loon van [eiser] om de schuld te innen. De schuld bedroeg toen, zo is in het beslagexploot (productie 3 van de bank) vermeld, € 314.965,30 te vermeerderen met rente en kosten. De bank heeft dit beslag gelegd met de grosse van de hypotheekakte van 5 februari 2007. Op 26 augustus 2010 is het loonbeslag aan [eiser] overbetekend (dat wil zeggen door de deurwaarder aan hem medegedeeld).

3.4.

De werkgever van [eiser] heeft vanaf 24 augustus 2010 maandelijks het ingehouden loon afgedragen aan de door de bank ingeschakelde deurwaarder. Daarna hebben verschillende andere schuldeisers van [eiser] ook loonbeslag gelegd op het loon van [eiser] . De deurwaarder van de bank heeft toen het onder beslag gevallen loon geïnd en verdeeld over de verschillende beslagleggers.

3.5.

De bank heeft het hypotheekrecht in 2012 uitgewonnen door de woning van [eiser] en [A] te verkopen en te leveren. De levering heeft op 2 november 2012 plaatsgevonden.

3.6.

Nadat de netto executieopbrengst aan de bank was voldaan, waren [eiser] en [A] uit hoofde van de aan hen door de bank verstrekte geldlening nog een bedrag van € 122.079,68 aan de bank verschuldigd. Deze schuld wordt hierna, in navolging van partijen, aangeduid met “de restschuld”. Het onder [eiser] gelegde loonbeslag is toen gehandhaafd om deze restschuld te innen.

3.7.

In 2015 heeft [eiser] met de deurwaarder van de bank gecorrespondeerd over de vastgestelde beslagvrije voet. Die klopte volgens [eiser] niet, waardoor er een te hoog bedrag aan loon werd ingehouden. [eiser] heeft toen gelijk gekregen en de beslagvrije voet is aangepast.

3.8.

[eiser] heeft in juli 2021 een kort geding tegen de bank aangespannen en opheffing van het loonbeslag gevorderd. Volgens [eiser] was de restschuld per 2 november 2017 verjaard, waardoor de betaling van deze restschuld niet langer door middel van een loonbeslag kan worden afgedwongen. De bank heeft daartegen verweer gevoerd.

3.9.

In zijn vonnis van 6 augustus 2021 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] gelijk gegeven en het ten laste van [eiser] gelegde loonbeslag opgeheven en de bank verboden om ter incassering van de restschuld opnieuw beslag te leggen.

3.10.

Er is geen hoger beroep tegen dit kort geding vonnis ingesteld.

3.11.

De advocaat van [eiser] heeft in een brief van 17 augustus 2021 aan de bank laten weten dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat het loonbeslag vanaf 2 november 2017 onrechtmatig is geweest, omdat de restschuld vanaf dat moment was verjaard. De bank is daarom in dezelfde brief gesommeerd tot terugbetaling van de bedragen die de bank in de periode van 2 november 2017 tot 6 augustus 2021 (de datum van opheffing van het loonbeslag) in het kader van het loonbeslag heeft geïncasseerd. Het ging daarbij om een totaalbedrag van € 73.423,62.

3.12.

De bank heeft aan de sommatie geen gehoor gegeven en aan de advocaat van [eiser] laten weten dat zij van mening is dat de restschuld niet is verjaard.

De vorderingen van [eiser] 3.13. [eiser] heeft daarna deze zaak tegen de bank aangespannen om betaling van het hiervoor in 3.11. genoemde bedrag te verkrijgen. [eiser] vordert in deze procedure (in conventie) dat:

a. wordt vastgesteld (in de vorm van een verklaring voor recht) dat de vordering waarvoor de bank ten laste van [eiser] loonbeslag heeft laten leggen op 2 november 2017 is verjaard, zodat dit loonbeslag vanaf die datum onrechtmatig tegenover [eiser] is geweest,

b. de bank wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 73.423,62, althans een door de rechter vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari 2020, althans een door de rechter vast te stellen datum,c. de bank wordt veroordeeld tot betaling van € 3.000,00 met btw daarover aan door gemaakte juridische kosten,d. de bank wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten.

Het verweer en de vorderingen van de bank

3.14.

De bank voert daartegen verweer.

3.14.1.

De bank voert primair als verweer dat de vordering waarvoor zij het loonbeslag heeft gelegd niet is verjaard, omdat de verjaringstermijn lopende de verjaringstermijn is gestuit. Er is volgens de bank sprake van stuiting van de verjaringstermijn:- in de eerste plaats omdat het executoriale loonbeslag de verjaring “voortdurend” stuit,

- in de tweede plaats, omdat verjaring in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid,- en in de derde plaats, omdat sprake is van erkenning van de restschuld door [eiser] .

3.14.2.

In het verlengde van dit primaire verweer vordert de bank in reconventie dat:a. [eiser] wordt veroordeeld om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis de huidige restschuld van € 52.957,28 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 februari 2022 (de datum waarop de eis in reconventie is ingesteld), enb. het door de voorzieningenrechter aan de bank opgelegde verbod om nog beslag te leggen voor de restschuld wordt opgeheven, althans dat wordt bepaald dat de bank in het kader van de tenuitvoerlegging van het in de zaak te wijzen vonnis opnieuw beslag kan leggen ten laste van [eiser] .

3.14.3.

De bank voert dan nog als subsidiair verweer dat als wordt geoordeeld dat de vordering niet is verjaard er toch geen betalingsverplichting op haar rust. Daarvoor beroept de bank zich erop dat [eiser] met de betalingen onder het beslag een natuurlijke verbintenis van in totaal € 84.428,51 is nagekomen en dat [eiser] geen rechtstreekse vordering heeft op de bank, omdat er meerdere beslagleggers waren.

Onder de voorwaarde dat dit verweer slaagt, stelt de bank een voorwaardelijke vordering in reconventie in. De bank vordert dat wordt vastgesteld (voor recht wordt verklaard) dat:

a. na verjaring van de vordering van de bank een natuurlijke verbintenis resteert van € 84.428,51,

b. de bank de vordering uit hoofde van de natuurlijke verbintenis heeft verrekend met de vordering van [eiser] ,

c. de bank alle toekomstige betalingen van [eiser] mag verrekenen met de vordering uit hoofde van de natuurlijke verbintenis van de bank op [eiser] .

3.14.4.

Verder voert de bank als meer subsidiair verweer aan dat hoe dan ook niet alles wat is ingehouden ook door de bank is ontvangen.

4. De beoordeling

5 De beslissing