Home

Rechtbank Midden-Nederland, 24-08-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3438, C/16/526196/ HA RK / 21-01

Rechtbank Midden-Nederland, 24-08-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3438, C/16/526196/ HA RK / 21-01

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24 augustus 2022
Datum publicatie
25 november 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:3438
Zaaknummer
C/16/526196/ HA RK / 21-01

Inhoudsindicatie

AVG. Verzoek tot inzage en wissing van persoonsgegevens. Tevens verzoek tot vergoeding van schade. Art. 82 AVG biedt directe grondslag voor schadevergoeding in onderhavige verzoekschriftprocedure.

Uitspraak

Civiel recht

Handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/526196/ HA RK / 21-201

Beschikking van 24 augustus 2022

inzake

de heer [verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. I. Brouwer,

tegen:

de naamloze vennootschap [verweerster] N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

advocaat mr. A. Holtland.

Partijen worden hierna [verzoeker] en ASR genoemd.

De Wet Bescherming Persoonsgegevens wordt hierna aangeduid als WBP, de Algemene Verordening Gegevensbescherming als AVG en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming als UAVG.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 11 augustus 2021 een verzoekschrift met producties ter griffie van deze rechtbank ingediend.

1.2.

Op 10 november 2021 is van ASR een productie ontvangen.

1.3.

Op 20 januari 2022 heeft [verzoeker] een reactie op de door ASR toegezonden productie tevens aanvulling/wijziging op het verzoek inclusief producties ingediend.

1.4.

ASR heeft op 24 januari 2022 een verweerschrift met producties ter griffie van deze rechtbank ingediend.

1.5.

Op gezamenlijk verzoek van partijen, gedateerd 26 januari 2022, is een eerder door de griffier geplande mondelinge behandeling ter zitting van 31 januari 2022, waarvoor partijen waren opgeroepen, uitgesteld.

1.6.

Van [verzoeker] is op 31 mei 2022 een nadere reactie met producties op het verweerschrift ontvangen.

1.7.

De griffier heeft partijen opgeroepen voor de terechtzitting van 7 juni 2022. De mondelinge behandeling heeft via videoconference (Teams) plaatsgevonden.

1.8.

Ter zitting van 7 juni 2022 zijn verschenen:- mr. Brouwer, advocaat voornoemd;- mr. A. Holtland, advocaat voornoemd;- mevrouw mr. [A] , [functie] in dienst van ASR;- mevrouw mr. [B] , [functie] in dienst van ASR.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht, (de advocaat van) ASR mede aan de hand van een pleitnotitie. Van het verhandelde ter terechtzitting is aantekening gehouden.

1.9.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

2 Verzoek en verweer

2.1.

Na wijziging van het verzoek vraagt [verzoeker] - zakelijk weergegeven - de rechtbank om:

- ASR te bevelen om:

1. op de voet van artikel 15 lid 1 AVG volledig inzage te geven in de verwerking van zijn persoonsgegevens door ASR;

2. een overzicht te verstrekken van de contacten die ASR heeft gehad met derden, waaronder de ex-echtgenote van [verzoeker] en met de tussenpersoon mevrouw [C] , alsmede brieven /e-mails te overleggen die door en aan derden in dit dossier vanaf 2016 zijn gestuurd;

3. een overzicht te verstrekken van stukken die op verzoek van derden aan het dossier van [verzoeker] zijn toegevoegd (met naam van derde en datum waarop dit is gebeurd);

4. een kopie van het volledige dossier vanaf 2004 te verstrekken, althans vanaf 2016, althans door de rechtbank te bepalen;

- ASR te veroordelen tot:

5. afhandeling van de overeenkomst met [verzoeker] in overeenstemming met de bescherming van de persoonsgegevens, met name AVG/UAVG;

6. het wissen van alle persoonsgegevens van [verzoeker] na een juiste beëindiging van de overeenkomst;

7. betaling van de materiële en immateriële schade ex artikel 82 lid 1 AVG, zoals in het verzoekschrift omschreven, die [verzoeker] heeft geleden ten gevolge van de inbreuk die ASR heeft gemaakt op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de AVG/UAVG;

8. betaling van de proceskosten.

2.2.

ASR heeft zich tegen het gewijzigde verzoek van [verzoeker] verweerd. Zij concludeert tot afwijzing daarvan.

2.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

3 Het geschil

Het gaat in deze zaak om het volgende

3.1.

[verzoeker] , die op [1974] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [D] , is op 24 oktober 1981 een levensverzekering (polisnummer [polisnummer 1] ) aangegaan met AMEV Levensverzekering N.V., hierna AMEV. De einddatum van deze verzekering was 24 oktober 2020. Voordien is AMEV gefuseerd met ASR. Om die reden moet thans ASR als verzekeringgever worden aangemerkt. Op deze polis is [verzoeker] als eerste en [D] als tweede verzekerde aangemerkt. De tussenpersoon/verzekeringsadviseur van [verzoeker] is [C] .

3.2.

Het huwelijk tussen [verzoeker] en [D] is op [2004] omgezet in een geregistreerd partnerschap. Vervolgens hebben zij op [2004] een convenant gesloten, strekkende tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap en (gedeeltelijke) ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Dit convenant is op [2004] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en vanaf die datum is de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen formeel ontbonden.

3.3.

In voormeld convenant hebben partijen een aantal afspraken gemaakt omtrent de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen. In artikel 3.6. staat, voor zover voor deze zaak relevant, dat [verzoeker] en [D] het hierna te noemen boedelbestanddeel in gemeenschappelijke eigendom wensen te blijven behouden:

....

- de levensverzekering afgesloten bij AMEV onder polisnummer [polisnummer 1] onder de verplichting om bij uitkering de waarde met elkaar te delen alsmede onder de verplichting van [D] om jaarlijks de helft van de door [verzoeker] betaalde premie aan hem te vergoeden.

....

3.4.

Tussen [verzoeker] en ASR is een indringend verschil van mening ontstaan over de vraag aan wie ASR het vrijgekomen kapitaal (ruim € 10.000,-) dient uit te betalen. Daarnaast is tussen hen ook een geschil gerezen over de vraag of ASR - kort gezegd - aan haar AVG-verplichtingen heeft voldaan.

3.5.

ASR heeft [verzoeker] bij brief van 28 juni 2021, aangevuld bij schrijven van 9 november 2021, geïnformeerd over de persoonsgegevens die zij van hem heeft bijgehouden. [verzoeker] is van mening dat het verstrekte overzicht onjuist en onvolledig is en dat ASR daarbij onrechtmatig heeft gehandeld. Correspondentie over deze problematiek heeft niet tot overstemming geleid. Om die reden is [verzoeker] deze procedure tegen ASR gestart.

4 De beoordeling

5 De beslissing