Rechtbank Midden-Nederland, 26-09-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3804, UTR - 21/5262
Rechtbank Midden-Nederland, 26-09-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3804, UTR - 21/5262
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 26 september 2022
- Datum publicatie
- 11 oktober 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3804
- Zaaknummer
- UTR - 21/5262
Inhoudsindicatie
Tijdelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van zonnepark . De (eventuele) onregelmatigheden in de procedure leiden niet tot een vernietiging van de omgevingsvergunning en hebben voor partijen dus verder geen gevolgen. Het college heeft de omgevingsvergunning niet in strijd met de beleidsregels verleend. Het college heeft de cumulatieve effecten van de zonneparken afdoende beoordeeld, en zich op het standpunt mogen stellen dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege cumulatieve milieueffecten en het veranderen van het landelijke karakter en het uitzicht van omwonenden. De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning, inclusief het aanvullende voorschrift over de beplanting, in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/5262
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: L. Willems),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik (het college)
(gemachtigde: mr. B.M. Kocken).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
de gemeenteraad van de gemeente Bunnik
en
LC Energy B.V. gevestigd Arnhem (vergunninghouder) en
[bedrijf] B.V. gevestigd in [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. J. Kevelam).
Inleiding
Deze zaak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning die het college op 4 oktober 2021 voor een periode van 30 jaar heeft verleend aan vergunninghouder voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van het [project 1] op de percelen tussen de [straat] en de [straat] ten noorden van het [adres 1] in [woonplaats] (het perceel) en het realiseren en bewerken van de landschappelijke inpassing van het zonnepark.
Het college heeft het besluit op de aanvraag van vergunninghouder voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Dit betekent dat het college een ontwerpomgevingsvergunning ter inzage heeft gelegd. Eiser heeft hierop een zienswijze ingediend. Nadat de gemeenteraad van Bunnik een verklaring van geen bedenkingen had afgegeven, heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
Eiser woont aan de [adres 2] in [woonplaats] en heeft vanaf daar zicht op het perceel dat nu nog in gebruik is voor het telen van sedum (vetplanten voor daktuinen e.d.) en het weiden van melkvee. Hij vindt dat de omgevingsvergunning op een onzorgvuldige en ondeugdelijke wijze tot stand is gebracht en in strijd is met het gemeentelijk beleid. Eiser heeft daarom beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
Eiser heeft zijn beroep tijdig ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling heeft het beroep doorgezonden aan de rechtbank1.
Het beroep wordt door de rechtbank op grond van de Crisis- en herstelwet (Chw)2 versneld behandeld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
Met een besluit van 1 april 2022 heeft het college de omgevingsvergunning gewijzigd door hierin een voorschrift op te nemen dat de landschappelijk inpassing in het eerste plantseizoen na ingebruikname van het zonnepark moet worden gerealiseerd en dat deze vervolgens in stand moet worden gehouden. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij het niet eens is met de formulering van het aanvullende voorschrift.
Op 10 april 2022 heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en namens vergunninghouder [A] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder en [B] , adviseur bij [adviesbureau] .
De rechtbank heeft het beroep op de zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar te komen tot een aanvullend/gewijzigd voorschrift over de aanleg van de beplanting. Op 27 juli 2022 heeft het college de rechtbank bericht dat partijen tot een akkoord zijn gekomen over de aanvulling van dat voorschrift. Het college heeft aan de rechtbank een besluit van 27 juli 2022 toegestuurd met daarin een aanvulling op het voorschrift over de aanleg van beplanting (het aanvullingsbesluit)3.
Eiser heeft op 29 juli 2022 een brief gestuurd aan de rechtbank. Hij is het niet eens met het aanvullingsbesluit. Het college en vergunninghouder hebben op deze brief gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 22 september 2022 gesloten.