Home

Rechtbank Midden-Nederland, 08-11-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4677, UTR 21/2171

Rechtbank Midden-Nederland, 08-11-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4677, UTR 21/2171

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
8 november 2022
Datum publicatie
9 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:4677
Zaaknummer
UTR 21/2171

Inhoudsindicatie

Wet WOZ, waardering van een tuincentrum. Verzoek immateriële schadevergoeding toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2172

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats], verweerder (de heffingsambtenaar)

(gemachtigde: R. Janmaat).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).

Inleiding

In de beschikking van 29 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres 1] in [plaats] voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 4.465.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als gebruiker van de onroerende zaak ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

Met de uitspraak op bezwaar van 15 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres tegen de beschikking van 29 februari 2020 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2022 op een online zitting behandeld. Namens eiseres was zijn gemachtigde aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door de taxateur [taxateur] .

Het geschil en beoordelingskader

1. In geschil is de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 1] op de waardepeildatum 1 januari 2019. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een in 1975 en 1997 gebouwd tuincentrum. Het tuincentrum heeft een vloeroppervlakte van 8.228 m2. De oppervlakte van het perceel bedraagt 11.078 m2.

2. Eiseres vindt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van het tuincentrum te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de bij de bestreden uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde.

3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van een onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan moet worden toegekend als de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak, in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De waarde voor niet-woningen kan worden bepaald door middel van onder andere een methode van kapitalisatie van de bruto huur (de huurwaardekapitalisatiemethode). Dit volgt uit artikel 4 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken en de rechtspraak in WOZ-zaken.

4. De heffingsambtenaar heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van het tuincentrum op de waardepeildatum niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank ook meewegen wat eiseres over de vastgestelde waarde heeft aangevoerd. Daarbij zal de rechtbank het beroep beoordelen op basis van de beroepsgronden die de gemachtigde van eiseres op de zitting in deze zaken specifiek naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat in deze uitspraak dan ook niet in op de door de gemachtigde van eiseres algemeen geformuleerde stellingen in het beroepschrift en de aanvullingen daarop.

De beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep