Rechtbank Midden-Nederland, 12-04-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1773, FT RK 23/186
Rechtbank Midden-Nederland, 12-04-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1773, FT RK 23/186
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 12 april 2023
- Datum publicatie
- 27 juni 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1773
- Zaaknummer
- FT RK 23/186
Inhoudsindicatie
WHOA-zaak. Aspectenverzoek
Uitspraak
beschikking
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: FT RK 23/186
Beschikking op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek) van 12 april 2023
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster] ”,
advocaat: mr. J. van den Dolder te Oud-Beijerland.
belanghebbenden:
1. de besloten vennootschap
[belanghebbende 1] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: “ [belanghebbende 1] ”,
advocaat: mr. D.L.A. Voskuilen te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap
[belanghebbende 2] B.V.
(voorheen [onderneming 1] B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: “ [onderneming 1] ”
advocaat: mr. D.L.A. Voskuilen te Rotterdam,
3. de besloten vennootschap
[belanghebbende 3] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
hierna: “ [belanghebbende 3] ”,
advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd te Zutphen,
4. de besloten vennootschap
[belanghebbende 4] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats 4]
hierna: “ [belanghebbende 4] ”,
advocaten: mr. R. Bask en mr. L. van Walraven te Utrecht.
5. de publiekrechtelijke rechtspersoon
UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
gevestigd te Amsterdam,
hierna: “UWV”,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de startverklaring van 9 september 2022,
- -
-
het verzoekschrift van [verzoekster] van 2 maart 2023,
- -
-
de zienswijze van [belanghebbende 4] van 27 maart 2023,
- -
-
de zienswijze van [belanghebbende 3] van 28 maart 2023,
- -
-
de zienswijze van [belanghebbende 1] en [onderneming 1] van 28 maart 2023,
- -
-
het e-mailbericht van UWV van 28 maart 2023,
- -
-
de reactie op zienswijzen van [verzoekster] van 29 maart 2023,
- -
-
het nadere verzoek van [verzoekster] van 29 maart 2023.
Het verzoek van 9 september 2022 is behandeld ter zitting van de rechtbank Midden-Nederland via een videoverbinding op 30 maart 2023. Daarbij zijn verschenen:
- -
-
de heer. [A] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,
- -
-
de heer [B] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,
- -
-
de heer mr. [C] , (indirect) aandeelhouder van [verzoekster] ,
- -
-
de heer [D] , adviseur van [onderneming 2] ,
- -
-
mevrouw mr. M.C.J. Oonk, advocaat van [verzoekster] in de procedure tegen [belanghebbende 1] en [onderneming 1] ,
- -
-
mevrouw mr. J. van den Dolder, voornoemd,
- -
-
de heer [E] , bestuurder [belanghebbende 1] en [onderneming 1] ,
- -
-
de heer [F] , [belanghebbende 1] en [onderneming 1] ,
- -
-
de heer mr. D.L.A. van Voskuilen, voornoemd,
- -
-
de heer [G] , bestuurder [belanghebbende 3] ,
- -
-
de heer mr. A.A. Dooijeweerd, voornoemd,
- -
-
de heer [H] , [belanghebbende 4] ,
- -
-
de heer [I] , [belanghebbende 4] ,
- -
-
mevrouw mr. R. Bask, voornoemd,
- -
-
mevrouw [J] , Belastingdienst,
- -
-
mevrouw [K] , Belastingdienst.
[verzoekster] heeft verschillende belanghebbenden opgeroepen om een zienswijze in te dienen conform het procesreglement. Dit heeft geleid tot een zienswijze van [belanghebbende 4] , [belanghebbende 1] , [onderneming 1] en [belanghebbende 3] .
Het nadere verzoekschrift van [verzoekster] van 29 maart 2023 werd behandeld ter zitting op 6 april 2023 via een videoverbinding. Daarbij zijn verschenen:
- de heer [A] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,
- de heer [B] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,
- mevrouw mr. J. van den Dolder, voornoemd,
- -
-
de heer [D] , adviseur van [onderneming 2] ,
- -
-
de heer [L] , adviseur van [onderneming 2] ,
- de heer mr. L. van Walraven, voornoemd,
- -
-
mevrouw [J] , Belastingdienst,
- -
-
mevrouw [K] , Belastingdienst.
2 Kern van de zaak
[verzoekster] heeft een aantal vragen gesteld in het kader van de totstandkoming van een akkoord. De rechtbank geeft in deze beslissing vanaf punt 5.6. een schatting van de waarde van de vordering van betwiste schuldeisers ( [belanghebbende 1] en [onderneming 1] ). Verder kwalificeert een deel van de vordering van [belanghebbende 1] als MKB-vordering. Dit heeft gevolgen voor het bedrag dat [verzoekster] moet reserveren om de nakoming van het akkoord te waarborgen. De tegenvorderingen die [verzoekster] op [belanghebbende 1] en [onderneming 1] stelt te hebben, vertegenwoordigen geen waarde. De rechtbank geeft vanaf punt 5.30. een oordeel over de positie van [belanghebbende 3] . Zij heeft niet voor haar gehele vordering een pandrecht. De waarde van het onderpand van [belanghebbende 3] is evenwel hoger dan waar [verzoekster] nu vanuit gaat. Er zal een deskundige nodig zijn om die waarde te bepalen. Tot slot oordeelt de rechtbank vanaf punt 5.40. dat [verzoekster] redelijke gronden heeft om af te wijken van de zogenaamde absolute priority rule.
3 De feiten
[verzoekster] exploiteert een ICT consultancy bedrijf. [verzoekster] levert in opdracht diensten zoals [.] .
Bestuurder van [verzoekster] is de besloten vennootschap [onderneming 3] B.V. Deze vennootschap wordt bestuurd door de besloten vennootschappen [onderneming 4] B.V. en [onderneming 5] B.V., waarvan respectievelijk de heer [B] en de heer [A] bestuurders zijn.
[verzoekster] is getroffen door de COVID-19 maatregelen. Hierdoor werden overheidsaanbestedingen uitgesteld en bleef de omzet van [verzoekster] achter. Aanvankelijk waren 70 werknemers in dienst in 2020. Inmiddels heeft [verzoekster] het aantal werknemers teruggebracht naar 40.
[verzoekster] wil haar schulden herstructureren door middel van een WHOA-akkoord. [verzoekster] heeft op 9 september 2022 een startverklaring gedeponeerd. De totale schuldenlast van [verzoekster] op deze datum bedraag € 7.348.096,68. [verzoekster] heeft eind 2022 een solvabiliteit van -/- 258,3% en een EBITDA van -/- € 1,4 miljoen.
[verzoekster] heeft [onderneming 2] gevraagd haar reorganisatiewaarde te bepalen. De reorganisatiewaarde werd vastgesteld op een bedrag van € 1.450.000. De waarde van de activa van de onderneming in faillissement werd door [M] getaxeerd op € 634.235,54. [verzoekster] heeft een financier gevonden, die bereid is een bedrag van € 800.000 beschikbaar te stellen voor de herfinanciering van de onderneming. Daarnaast zal [verzoekster] uit haar cashflow een aanvullend bedrag van € 265.900 beschikbaar stellen aan schuldeisers. Het totaal beschikbare bedrag voor uitkering bedraagt daarmee € 1.065.900.
Het voorgenomen aanbod
[verzoekster] heeft in het kader van het voorgenomen akkoord haar schuldeisers ingedeeld in zes klassen. De huidige aandeelhouders worden niet in het akkoord betrokken. [verzoekster] beschrijft de klassenindeling als volgt:
|
Klasse |
Bedrag (€) |
|
|
1. Preferent: Fiscus |
3.837.048,64 |
|
|
2. Preferent: [onderneming 6] B.V. |
213.500,00 |
|
|
3. Preferent: lening [belanghebbende 3] |
1.000,00 |
|
|
4. MKB schuldeisers |
63.752,00 |
|
|
5. Concurrente schuldeisers: |
2.887.531,251 |
|
|
- lening [belanghebbende 4] |
515.531,25 |
|
|
- ongesecureerde vordering [belanghebbende 3] |
136.500,00 |
|
|
- handelscrediteuren |
14.897,00 |
|
|
- UWV (NOW) |
115.373,00 |
|
|
- [belanghebbende 1] / [onderneming 1] |
90.843,951 |
|
|
6. Concurrent gelieerde partijen |
275.219,37 |
|
|
- lening [onderneming 3] |
171.843,75 |
|
|
- RC [onderneming 7] |
103.375,62 |
|
|
1. Dit totaalbedrag gaat uit van toelating van [belanghebbende 1] / [onderneming 1] voor het volledige bedrag van hun vorderingen. |
In het ontwerpakkoord wordt aan de schuldeisers het volgende aangeboden:
|
Klasse |
Aanbod |
Benodigde financiering (€) |
|
1. Preferent: Fiscus |
20% |
725.0001 |
|
2. Preferent: [onderneming 6] B.V. |
100% |
-2 |
|
3. Preferent: lening [belanghebbende 3] |
100% |
1.000,00 |
|
4. MKB schuldeisers |
20% |
12.750,40 |
|
5. Concurrente schuldeisers: |
||
|
- lening [belanghebbende 4] |
7% |
36.087,19 |
|
- ongesecureerde vordering [belanghebbende 3] |
7% |
9.555,00 |
|
- handelscrediteuren |
7% |
1.042,79 |
|
- UWV (NOW) |
7% |
8.076,11 |
|
- [belanghebbende 1] / [onderneming 1] |
7% |
6.359,083 |
|
6. Concurrent gelieerde partijen |
||
|
- lening [onderneming 3] |
0% |
- |
|
- RC [onderneming 7] |
0% |
- |
|
1. Betaling ineens van € 410.745,12 en restant in 12 termijnen ingaande een maand na homologatie. 2. Wijziging rechten nader overeen te komen. 3. Reserveren tot uitkomst lopende procedure. |
De positie van aandeelhouders
De aandelen in het kapitaal van [verzoekster] worden gehouden door [onderneming 3] voor een gedeelte van 72,25%. De aandelen in het kapitaal van [onderneming 3] worden voor gelijke delen gehouden door vennootschappen van de bestuurders, de heren [B] en [A] . De overige aandelen worden gehouden door [onderneming 6] B.V., een vennootschap van de heer [C] .
De aandeelhouders hebben concurrente vorderingen op [verzoekster] voor een totaalbedrag van € 275.219,37. [onderneming 6] B.V. heeft een vordering op [verzoekster] van € 213.500 waarvoor deze vennootschap pandrechten heeft verkregen. De verschillende vennootschappen van de heer [C] zullen hierna allemaal ook als ‘ [aanduiding vennootschappen van C] ’ worden aangeduid.
[verzoekster] heeft ter zitting toegelicht dat de concurrente vorderingen van de aandeelhouders als gevolg van het voorgenomen akkoord zullen worden kwijtgescholden. . Verder zullen de aan [onderneming 6] B.V. verstrekte zekerheden komen te vervallen. Dit was een eis in het kader van de (nog niet tot stand gekomen) financiering van het akkoord.
De nieuwe financiering bestaat ten tijde van de beoordeling van dit verzoek uit een geldlening van € 800.000 met een looptijd van vijf jaar tegen een jaarlijkse rente van 6%. De nieuwe financier, bestaande uit een samenwerking tussen twee externe partijen, heeft gevraagd om een persoonlijke borgstelling van de bestuurders ten bedrage van minimaal € 50.000 per persoon.
[onderneming 2] heeft de ondernemingswaarde van [verzoekster] berekend voor het geval het akkoord wordt aangenomen. Deze bedraagt € 971.000, waarbij op de onderneming een financiering drukt van € 800.000 (nieuwe financiering) plus € 213.500 ( [aanduiding vennootschappen van C] ).
De rol van [belanghebbende 1] en [onderneming 1]
[verzoekster] heeft verschillende overeenkomsten gesloten met [belanghebbende 1] en [onderneming 1] . Het betreft onder meer een geldlening, een overeenkomst op basis waarvan [verzoekster] een web-platform ter beschikking heeft gesteld en een overeenkomst op basis waarvan [belanghebbende 1] zogenaamde ‘leads’ aan [verzoekster] heeft geleverd. Op 21 september 2022 hebben [belanghebbende 1] en [onderneming 1] een dagvaarding uitgebracht. Op 26 januari 2022 heeft [verzoekster] in deze procedure een conclusie van antwoord genomen en daarbij een eis in reconventie ingesteld. Partijen hebben over en weer betaling gevorderd van de volgende bedragen:
- -
-
een vordering van [belanghebbende 1] en [onderneming 1] op [verzoekster] van € 1.897.100;
- -
-
een vordering van [belanghebbende 1] op [verzoekster] van € 320.957;
- -
-
een vordering van [verzoekster] op [onderneming 1] van € 1.040.600;
- -
-
een vordering van [verzoekster] op [belanghebbende 1] van € 906.110,77.
De vorderingen worden behandeld ter comparitie van een meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 5 april 2023. De uiteindelijk door de rechtbank vast te stellen hoogte van de vorderingen zal mede bepalend zijn voor het percentage dat schuldeisers krijgen aangeboden op hun vorderingen. [verzoekster] heeft daarbij de volgende scenario’s geschetst:
a. een uitkering aan concurrente schuldeisers van 7% bij een waardering van de vorderingen van [belanghebbende 1] en [onderneming 1] op € 90.843,95;
b. een uitkering aan concurrente schuldeisers van 5% bij een waardering van de vorderingen van [belanghebbende 1] en [onderneming 1] op € 454.219,77;
c. een uitkering aan concurrente schuldeisers van 0,01% bij een waardering van de vorderingen van [belanghebbende 1] en [onderneming 1] op € 2.218.057.
De positie van [belanghebbende 3]
Begin 2019 heeft [belanghebbende 3] de aandelen in twee vennootschappen verkocht en geleverd aan [verzoekster] tegen een koopsom van € 350.000,--.
[belanghebbende 3] heeft daarnaast aan [verzoekster] een renteloze geldlening gegeven van € 75.000.Deze geldlening moet binnen vier maanden na afloop van het boekjaar 2023 worden terugbetaald.
[verzoekster] heeft aan [belanghebbende 3] (de licentierechten van) een IP Business Manager, bij partijen genoegzaam bekend, aan [belanghebbende 3] verpand. In artikel 3 van de koopovereenkomst is daartoe het volgende bepaald:
“Het resterende bedrag van de Koopsom ad € 250.000,00 wordt omgezet in een renteloze lening, en in 4 jaarlijkse termijnen van ieder € 62.500,00 voldaan, telkens per termijn binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar 2019, 2020, 2021 resp. 2022.
[...]
Als zekerheid voor de betaling van de 4 jaarlijkse termijnen verpandt Koper de licentierechten van de IP Businessmanager, bij partijen genoegzaam bekend, aan Verkoper tot de Koopsom door Koper volledig betaald is.”
De heer [G] , bestuurder van [belanghebbende 3] , is in dienst getreden bij [verzoekster] . Dit dienstverband is geëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst, vastgelegd in een e-mail van 29 oktober 2019. Daarin hebben partijen onder meer het volgende geschreven:
“4. Zekerheidstelling inzake de 4 betalingen en de lening voor de aankoop Adatum en IP Businessmanager zijn genoegzaam afgetikt tussen ons dus ik zie niet in waarom we daar andere zaken moeten regelen. ** prima als daar niet op terug gekomen wordt.”