Rechtbank Midden-Nederland, 24-01-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:250, UTR 22/4593
Rechtbank Midden-Nederland, 24-01-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:250, UTR 22/4593
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 24 januari 2023
- Datum publicatie
- 6 maart 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:250
- Zaaknummer
- UTR 22/4593
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting, gegrond beroep omdat eiser het betaalbewijs heeft overgelegd. Geen proceskosten wel griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4593
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar)
(gemachtigde: W. Vos).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 3 mei 2022.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar van 4 augustus 2022 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 3 mei 2022 geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplaats. Hij heeft € 8,32 betaald, maar een onjuist kenteken ingevoerd op de parkeerautomaat. De scanauto heeft eisers kenteken gescand. Op grond daarvan kon niet vastgesteld worden dat voor zijn auto parkeerbelasting was voldaan omdat eiser een onjuist kenteken had ingevoerd.
2. In bezwaar heeft eiser een rekeningafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij € 8,32 heeft betaald. De heffingsambtenaar heeft dat bedrag teruggerekend op grond van het parkeertarief en geconcludeerd dat de parkeertijd verstreken was op het moment dat de auto werd gescand. Nadat de heffingsambtenaar op het bezwaar heeft beslist heeft eiser het betaalbewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij € 8,32 heeft betaald en gebruik heeft gemaakt van een bewonersvergunning. Omdat voor een bewonerskaart een lager parkeertarief geldt eindigde de parkeerduur nadat eisers auto werd gescand.
3. Op basis van het betaalbewijs dat eiser heeft overgelegd heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift geconcludeerd dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Uit dat betaalbewijs blijkt dat hij het juiste bedrag aan parkeerbelasting had voldaan.
4. Het beroep is daarom gegrond en zowel de uitspraak op bezwaar als de naheffingsaanslag zullen worden vernietigd. De heffingsambtenaar zal aan eiser het betaalde griffierecht moeten terugbetalen.1
5. Eiser heeft gevraagd om de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen. Het gaat daarbij om zijn arbeidstijd, namelijk: het opstellen van een bezwaar- en beroepschrift, een telefoongesprek met de heffingsambtenaar en zijn verletkosten (€ 132,- voor de verletkosten voor het bijwonen van de zitting en € 44,- en € 88,- voor het opstellen van het bezwaar en beroepschrift).
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser, ondanks de gegrondverklaring van zijn beroep, geen recht heeft op vergoeding van de gevraagde proceskosten. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.
Proceskosten bezwaarfase
7. Uit artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht2 volgt dat eiser pas recht zou kunnen hebben op een vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase als hij daarom verzoekt voordat op het bezwaar wordt beslist. Eiser heeft tijdens de bezwaarfase echter niet om vergoeding van proceskosten gevraagd. Daarom heeft eiser geen recht op vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase.
Kosten opstellen processtukken en telefonisch contact in beroepsfase
8. Verder is het ook zo dat de gevraagde proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet voor vergoeding in aanmerking komen. In het Bpb3 staat limitatief welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten voor het opstellen van het beroepschrift door de betrokkene zelf zijn in het Bpb niet aangemerkt als kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor kosten die verbonden zijn aan telefonisch contact. Het Bpb geldt ook voor proceskosten in de bezwaarfase. Als eiser in de bezwaarfase wel had gevraagd om vergoeding van de proceskosten, dan zou daarop dus ook geen recht hebben bestaan.
Verletkosten
9. Wat betreft de gevraagde verletkosten is de rechtbank van oordeel dat die niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat niet is gebleken dat eiser kosten van tijdverzuim heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Eiser is gepensioneerd en heeft op de zitting verklaard dat hij soms een opdracht aanneemt. Dat is onvoldoende om te concluderen dat eiser daadwerkelijk kosten van tijdverzuim heeft. De rechtbank is het overigens niet met eiser eens dat er in dat geval sprake is van leeftijdsdiscriminatie omdat gepensioneerden vaak niet werken. Er is geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid op grond van leeftijd omdat vergoeding van verletkosten alleen mogelijk is als aannemelijk is gemaakt dat het bijwonen van de zitting daadwerkelijk kosten met zich heeft gebracht. In die gevallen wordt, ongeacht de leeftijd, vergoeding van verletkosten toegekend. Omdat eiser geen kosten van tijdverzuim heeft, heeft eiser geen recht op vergoeding van de gevraagde verletkosten.
10. De rechtbank wijst eisers verzoek om de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen dan ook af.