Rechtbank Midden-Nederland, 31-05-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2870, UTR 22/5267
Rechtbank Midden-Nederland, 31-05-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2870, UTR 22/5267
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 31 mei 2023
- Datum publicatie
- 3 juli 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2870
- Zaaknummer
- UTR 22/5267
Inhoudsindicatie
Vergoeding kosten taxatierapport; beroep gegrond.
Uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5267
(gemachtigde: G. Gieben)
en
(gemachtigde: T. Houkes).
Procesverloop
In de beschikking van 25 februari 2022 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 1.358.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft verweerder aan eiseres als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 12 april 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, P. Loijen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, T. Houkes, vergezeld door [A] en [B] (taxateurs).
Overwegingen
1. Het geschil richt zich niet (langer) op de WOZ-waarde. Eiseres heeft in beroep een taxatierapport van het NWWI overgelegd, waarin voor de woning wordt uitgegaan van een marktwaarde van € 1.100.000,-. Op basis van dit rapport gaat verweerder akkoord met een waardeverlaging naar € 1.050.000,-.
2. Nu verweerder de door hem in de beschikking vastgestelde waarde niet langer handhaaft, is het beroep gegrond en moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.
3. Het geschil heeft betrekking op de vergoeding van het NWWI-taxatierapport. Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het NWWI-rapport niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat eiseres al over dit rapport beschikte, maar niet in de bezwaarfase had overgelegd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De WOZ-waarde wordt vastgesteld door verweerder. Op hem rust daarom de bewijslast dat de vastgestelde waarde op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. Eiseres heeft de waarde in bezwaar gemotiveerd betwist door middel van het taxatierapport van Phydias. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting uitgelegd dat het NWWI-rapport net voor het indienen van het beroepsschrift is ontvangen. Dat eiseres in beroep het NWWI-rapport heeft overgelegd, welk met een ander doel is gemaakt, kan haar niet worden verweten. In beroep mag zij dat alsnog inbrengen. De stelling van verweerder dat eiseres het NWWI-rapport in de bezwaarfase had moeten overleggen, gaat daarom niet op.
4. Op de zitting is eiseres akkoord gegaan dat er geen vergoeding wordt toegekend voor de twee ingediende taxatierapporten, te weten in bezwaar (Phydias) en in beroep (NWWI).
5. Verweerder wijst verder op een uitspraak van Rechtbank Oost – Brabant van 24 februari 20231. De rechtbank overweegt dat deze uitspraak ziet op miscommunicatie tussen twee overheidsinstanties. Dat is een andere situatie dan hier het geval is. Hier heeft verweerder op basis van zijn eigen beoordeling de WOZ-waarde vastgesteld.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
8. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 296,-, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een factor 1). Daarbij is de rechtbank voor de beroepsfase in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitgegaan van een waarde per punt van € 837,-.2
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
-
stelt de waarde voor belastingjaar 2022 vast op € 1.050.000.-
- -
-
vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig;
- -
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- -
-
draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden;
- -
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.226,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2023.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: