Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3066, 16/004902-22 (P); 16/235116-19 en 13/650686-17 (vord. TUL)
Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3066, 16/004902-22 (P); 16/235116-19 en 13/650686-17 (vord. TUL)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 28 juni 2023
- Datum publicatie
- 28 juni 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3066
- Zaaknummer
- 16/004902-22 (P); 16/235116-19 en 13/650686-17 (vord. TUL)
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belaging en ID-fraude van verschillende slachtoffers. Hij heeft op een nare manier ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levens van de vijftien slachtoffers en hun persoonsgegevens misbruikt, door op social media en verschillende (seks)websites nepaccounts aan te maken en zich voor te doen als deze slachtoffers. Hij maakte daarbij gebruik van hun (volledige) naam, telefoonnummer en/of foto’s en stuurde met name seksueel gerelateerde berichten naar bekenden en onbekenden van de slachtoffers.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de geëiste straf, een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest een passende straf is. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Oplegging ongemaximeerde TBS-maatregel met dwangverpleging De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging vereisen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard, ernst en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan en de reële mogelijkheid dat verdachte recidiveert, de gedragingen van verdachte gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen benadeelde partijen; gehele toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging.
Uitspraak
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/004902-22 (P); 16/235116-19 en 13/650686-17 (vord. TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juni 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1983] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] , gedetineerd te [verblijfplaats] ,
hierna: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het in het openbaar gehouden onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2022, 29 september 2022, 21 november 2022, 8 februari 2023, 29 maart 2023, 7 juni 2023 en 14 juni 2023. Het onderzoek ter terechtzitting is inhoudelijk behandeld op 7 juni 2023 en op 14 juni 2023 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, op 7 juni 2023 naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is op de zitting van 22 juli 2022 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
in de periode van 15 januari 2021 tot en met 11 april 2022 te Houten, Eindhoven, Assen, Groningen en/of Utrecht [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] , [aangeefster 5] , [aangeefster 6] , [aangeefster 7] , [aangeefster 8] , [aangeefster 9] , [aangeefster 10] , [aangeefster 11] , [aangeefster 12] en [aangeefster 13] heeft gestalkt.
Feit 2 in de periode van 15 januari 2021 tot en met 11 april 2022 te Houten, Eindhoven, Assen, Groningen en/of Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk de identificerende persoonsgegevens heeft misbruikt van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] , [aangeefster 6] ,
[aangeefster 14] , [aangeefster 7] , [aangeefster 8] , [aangeefster 9] , [aangeefster 10] , [aangeefster 11] , [aangeefster 15] , [aangeefster 12] , [aangeefster 13] en [aangever] .
3 ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van aangeefsters [aangeefster 5] , [aangeefster 6] , [aangeefster 10] en [aangeefster 12] . Hij heeft aangevoerd dat deze aangeefsters buiten de klachttermijn ex artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een klacht hebben ingediend.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat voor aangeefsters [aangeefster 5] , [aangeefster 6] en [aangeefster 12] geldt dat de schriftelijke klacht buiten de termijn van drie maanden is ingediend, maar dat uit de tekst van de aangiften van [aangeefster 5] , [aangeefster 6] en [aangeefster 12] kan worden afgeleid dat aangeefsters op dat moment vervolging wensten. Naar de rechtbank begrijpt stelt de officier van justitie daarmee dat aan het wettelijke klachtvereiste is voldaan en dat hij (dus) ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van voornoemde aangeefsters.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Ingevolge artikel 285b lid 2 Sr is het misdrijf belaging slechts op klacht vervolgbaar. De klacht bestaat ingevolge artikel 164 lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) uit een aangifte met het verzoek tot vervolging.
Indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van artikel 164 Sv worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.1
De beoordeling
De rechtbank stelt aan de hand van het strafdossier de volgende feiten en omstandigheden
– voor zover hier relevant – vast.
[aangeefster 5]
Op 19 februari 2021 is door mevrouw [aangeefster 16] , teammanager [instelling] , mede namens [aangeefster 5] aangifte gedaan van identiteitsfraude in de periode van (in haar geval) 9 februari 2021 tot 17 februari 2021.2 De aangifte houdt geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging in. In de aangifte is vermeld dat [aangeefster 5] de schade wil verhalen op de verdachte en dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Op 11 maart 2021 is [aangeefster 5] telefonisch gehoord door de politie.3 Zij heeft toen aangegeven dat ze geïnformeerd wenst te worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak en dat zij de schade wenst te verhalen. Op 14 april 2022 heeft [aangeefster 5] een schriftelijke klacht ingediend.4 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tijdens de terechtzitting van 7 juni jl. bijgewoond.
[aangeefster 6]
Op 23 december 2021 is door [aangeefster 6] , werkzaam als verpleegkundige [instelling] aangifte gedaan van stalking in de periode van 13 en 14 december 2021.5 De aangifte houdt geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging in. In de aangifte is vermeld dat zij de schade binnen het strafproces op verdachte wenst te verhalen en dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Op 14 april 2022 heeft [aangeefster 6] een schriftelijke klacht ingediend.6[aangeefster 6] heeft zich in het strafproces gevoegd als benadeelde partij. Zij was tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tijdens de terechtzitting van 7 juni jl. aanwezig en heeft toen gebruik gemaakt - middels haar advocaat - van haar spreekrecht.
[aangeefster 10]
Op 10 januari 2022 is door [aangeefster 10] , werkzaam als sociotherapeut/verpleegkundige [instelling] , aangifte gedaan van stalking tussen 13 mei 2021 en 2 januari 2022.7 De aangifte houdt geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging in. In de aangifte is vermeld dat aangeefster de schade wil verhalen op de verdachte en dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Op 14 april 2022 heeft [aangeefster 10] een schriftelijke klacht ingediend.8 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tijdens de terechtzitting van 7 juni jl. bijgewoond.
[aangeefster 12]
Op 28 juli 2021 is door [aangeefster 12] , voorheen werkzaam in de [instelling] als leerling medewerker, aangifte gedaan van identiteitsfraude in de periode van 1 januari 2020 tot 28 juli 2021.9 De aangifte houdt geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging in. In de aangifte is vermeld dat aangeefster de schade binnen het strafproces wil verhalen op de verdachte en dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Op 13 april 2022 heeft [aangeefster 12] een schriftelijke klacht ingediend.10 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tijdens de terechtzitting van 7 juni jl. bijgewoond.
De rechtbank is van oordeel dat de schriftelijke klachten van voornoemde vier aangeefsters niet binnen de termijn van drie maanden na de dag waarop de aangeefsters kennis hebben genomen van het gepleegde feit zijn ingediend noch binnen de termijn van drie maanden na het moment dat de belaging tot een einde is gekomen.
Echter, ten aanzien van voornoemde vier aangeefsters kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat zij ten tijde van het opmaken van de aangiften de bedoeling hadden dat vervolging van de verdachte zou worden ingesteld waardoor alsnog voldaan is aan het klachtvereiste ex artikel 164 lid 1 Sv.
Met betrekking tot [aangeefster 5] blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens uit de omstandigheid dat in de aangifte is vermeld dat zij de schade wil verhalen op de verdachte, dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek, dat zij nog een aanvullende verklaring bij de politie heeft afgelegd waarbij zij (ook) heeft aangegeven dat ze geïnformeerd wenst te worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak, dat zij de schade wenst te verhalen, dat zij op 14 april 2022 een schriftelijke klacht heeft ingediend en dat zij ter zitting aanwezig was.
Met betrekking tot [aangeefster 6] blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens uit de omstandigheid dat aangeefster in haar aangifte heeft vermeld dat zij de schade wil verhalen op verdachte, dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek, dat zij op 14 april 2022 een schriftelijke klacht heeft ingediend, een vordering benadeelde partij heeft ingediend en ter zitting haar spreekrecht heeft uitgeoefend.
Met betrekking tot [aangeefster 10] blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens uit de omstandigheid dat aangeefster in haar aangifte heeft vermeld dat zij de schade wil verhalen op verdachte, dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek, dat zij op 14 april 2022 een schriftelijke klacht heeft ingediend en dat zij ter zitting aanwezig was.
Met betrekking tot [aangeefster 12] blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens uit de omstandigheid dat aangeefster de schade wil verhalen op de verdachte, dat zij op de hoogte gehouden wil worden van de voortgang van het opsporingsonderzoek, dat zij op 13 april 2022 een schriftelijke klacht heeft ingediend en dat zij ter zitting aanwezig was.
Vaststaat dat [aangeefster 5] en [aangeefster 6] binnen de termijn van drie maanden na de dag waarop zij kennis hebben genomen van het gepleegde feit aangifte hebben gedaan, althans hebben laten doen ( [aangeefster 5] ). Ten aanzien van [aangeefster 10] en [aangeefster 12] geldt dat aangifte is gedaan binnen de termijn van drie maanden na de dag waarop de belaging tot een einde is gekomen.
Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
Beantwoording van de voorvragen
Het voorgaande onder 3.3 betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Voorts is de dagvaarding geldig, is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.