Home

Rechtbank Midden-Nederland, 09-06-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3537, UTR 19/1761

Rechtbank Midden-Nederland, 09-06-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3537, UTR 19/1761

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
9 juni 2023
Datum publicatie
31 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:3537
Zaaknummer
UTR 19/1761

Inhoudsindicatie

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft zich terecht onbevoegd geacht om van het handhavingsverzoek jegens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kennis te nemen. De AP heeft geen bevoegdheid als het gaat om de uitoefening door een gerecht van zijn rechterlijke taken. Uit de beantwoording van de prejudicële vragen aan het HvJ van 24 maart 2022 volgt dat daarvan in dit geval sprake is.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1761

en

(gemachtigden: mr. W. van Steenbergen en mr. Y. Witteman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2019 (het primaire besluit) heeft de AP eiser bericht dat zij niet bevoegd is handhavend op te treden jegens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Op 30 april 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek.

Op 4 juni 2019 heeft eiser bij de AP bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De AP heeft dit met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als een rechtstreeks beroep aan de rechtbank toegezonden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de AP niet ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

De voorzitter van de Afdeling heeft te kennen gegeven niet als partij aan dit geding deel te nemen.

De AP heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn toenmalige gemachtigde, mr. S.A.J.T. Hoogendoorn. De AP heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Bij verwijzingsuitspraak van 29 mei 20201 heeft de rechtbank het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) verzocht om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Bij arrest van 24 maart 2022 heeft het Hof van Justitie de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun reactie te geven op het arrest van het Hof van Justitie. De AP heeft dit gedaan bij brieven van 28 maart 2022 en 9 mei 2022. Eiser heeft niet gereageerd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.Overwegingen

Inleiding

  1. In deze zaak is de vraag aan de orde of de AP, de nationale toezichthoudende autoriteit, bevoegd is te oordelen over de vraag of het geven van inzage in processtukken door de Afdeling aan journalisten in overeenstemming is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Om die vraag te beantwoorden is van belang of het geven van inzage in processtukken aan journalisten valt onder de rechterlijke taak van de Afdeling. De AP heeft namelijk geen bevoegdheid om toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens door gerechten bij de uitoefening van hun rechterlijke taken. Omdat dit gaat over de uitleg van het Unierechtelijk begrip “rechterlijke taak” en het oordeel over de verenigbaarheid van de nationale invulling van het begrip “rechterlijke taak” met het Unierecht is voorbehouden aan het Hof van Justitie, heeft de rechtbank deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie.

  2. Voor een beschrijving van de aanleiding voor deze procedure en de feiten verwijst de rechtbank naar de hiervoor genoemde verwijzingsuitspraak. De beantwoording door het Hof van Justitie

  3. De door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie als volgt beantwoord. “Artikel 55, lid 3, van de AVG moet aldus worden uitgelegd dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn „rechterlijke taken” in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure.”Beoordeling door de rechtbank

  4. Met de AP is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest van het Hof van Justitie voortvloeit dat de AP zich terecht onbevoegd heeft geacht om te oordelen over het handhavingsverzoek van eiser. Dit handhavingsverzoek had immers betrekking op het in de ogen van eiser in strijd met de AVG verstrekken van processtukken met daarin opgenomen persoonsgegevens aan journalisten. Dat hiermee persoonsgegevens worden verwerkt als bedoeld in artikel 4, onderdeel 2, van de AVG is niet in geschil. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze gegevensverwerking behoort tot de uitoefening door een gerecht van zijn rechterlijke taak. Op grond van artikel 55, lid 3, van de AVG heeft de toezichthoudende autoriteit geen bevoegdheid om daarop toe te zien.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de AP terecht heeft geconcludeerd dat zij niet bevoegd is om eisers handhavingsverzoek in behandeling te nemen. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, en mr. P.J.M. Mol en mr. A.A.M. Elzakkers, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2023.

griffier

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep