Rechtbank Midden-Nederland, 03-08-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4187, 23/623
Rechtbank Midden-Nederland, 03-08-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4187, 23/623
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2023
- Datum publicatie
- 6 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4187
- Zaaknummer
- 23/623
Inhoudsindicatie
Whoa. Homologatie van het akkoord. Er zijn twee niet stemmers. Zij hebben -per abuis- hun volledige vordering voldaan gekregen. De Belastingdienst eist, op grond van haar Leidraad Invordering, dat deze twee schuldeisers het meerdere boven 20% terug moeten betalen. Ontstaat er een verplichting tot terugbetaling? Is de terugbetalingsverplichting een onderdeel waar de Whoa rechters zich over moeten uitlaten? Indien deze verplichting toch ontstaat is dat op grond van de belangenafweging geen reden voor weigering van de homologatie. Het belang van de verzoeker en de overige schuldeisers weegt zwaarder.
Uitspraak
vonnis
Afdeling Toezicht
locatie Lelystad
zaaknummer / rekestnummer: FT RK 23/623
Vonnis op het verzoek tot homologatie van een akkoord ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) van 3 augustus 2023
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster] ”,
advocaten: mrs. A.W. de Man en M. Anneveld te Amsterdam,
belanghebbende:
de besloten vennootschap
[belanghebbende] B.V
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: “ [belanghebbende] ”,
gemachtigde: mr. M. Aktas.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de beschikking van 10 maart 2023,
- -
-
het stemverslag, gedeponeerd ter griffie op 25 juli 2023,
- -
-
het verzoekschrift van 25 juli 2023,
- -
-
de beschikking van 27 juli 2023,
- -
-
de zienswijze van [belanghebbende] van 28 juli 2023,
- -
-
het verweerschrift van [verzoekster] van 30 juli 2023,
- -
-
de aanvullende zienswijze van [belanghebbende] van 1 augustus 2023.
Het verzoek tot homologatie is op 31 juli 2023 via een videoverbinding behandeld in aanwezigheid van:
- -
-
de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] ,
- -
-
de heer mr. A.W. de Man, advocaat van [verzoekster] ,
- -
-
mevrouw mr. M. Anneveld, advocaat van [verzoekster] ,
- -
-
de heer mr. J. Postma, advocaat van [verzoekster] ,
- -
-
de heer [B] , adviseur bij [onderneming 1] B.V.,
- -
-
de heer mr. M. Aktas, gemachtigde van [belanghebbende] .
Gelet op de te nemen beslissing, heeft [verzoekster] geen gelegenheid meer gekregen om te reageren op de aanvullende zienswijze van [belanghebbende] .
2 Inleiding
In deze uitspraak wordt een akkoord dat [verzoekster] aan haar schuldeisers heeft aangeboden, goedgekeurd (gehomologeerd). Voorafgaande aan de totstandkoming van dit akkoord werd een afkoelingsperiode gelast en een aspectenverzoek behandeld. In dat kader werd met name discussie gevoerd over de positie van het UWV. Het aangeboden akkoord wordt breed gedragen onder alle groepen van schuldeisers. Het akkoord heeft een financiële herstructurering tot gevolg die, in combinatie met een door [verzoekster] al doorgevoerde operationele herstructurering, tot gevolg heeft dat de onderneming kan voortbestaan. In het kader van de homologatie heeft vooral een geschil tussen [verzoekster] en [belanghebbende] gespeeld. Tussen hen is in geschil of uit het (gehomologeerd) akkoord voor [belanghebbende] een betalingsverplichting volgt. Op dat geschil kan in deze beschikking geen bindend oordeel worden gegeven, omdat de uitvoering van het akkoord onderwerp kan zijn van een civiele procedure tussen partijen. De bepalingen in het akkoord geven evenwel geen grond voor weigering van de homologatie, ook niet als daaruit een terugbetalingsverplichting voor [belanghebbende] zou volgen.
3 De feiten
In de eerdere beschikkingen in deze zaak werden feiten vastgesteld. In deze uitspraak worden die feiten deels herhaald en aangevuld, voor zover dat van belang is voor de beslissing om het akkoord te homologeren.
De onderneming
[verzoekster] is een onderneming die sinds 1974 actief is als [.] . [verzoekster] heeft zich bezig gehouden met [..] . De klanten van [verzoekster] bestaan uit enkele grote restaurant- en hotelketens. Daarnaast levert [verzoekster] aan een scala van kleinere hotels, restaurants en cafés. [verzoekster] levert ook voor banqueting, partycatering, bedrijfscatering, hotelontbijt, sport- en schoolkantines, kantoren en showrooms. Bij [verzoekster] zijn 320 werknemers in dienst. De onderneming is gevestigd in [plaats] .
De bestuurder van [verzoekster] is de heer [A] . De aandelen van [verzoekster] worden gehouden door de besloten vennootschap [onderneming 2] B.V. De aandelen van [onderneming 2] worden op hun beurt gehouden door de besloten vennootschappen [onderneming 3] B.V. (85%) en [onderneming 4] B.V. (15%). [onderneming 3] is een vennootschap van de heer [A] . [onderneming 4] is een vennootschap van de heren [C] en [D] .
De activiteiten van [verzoekster] worden gefinancierd door middel van aandeelhoudersleningen, een kredietovereenkomst met de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V. en verschillende leningen bij gelieerde partijen. Per 20 november 2022 stond bij ABN een saldo van € 2.795.380 uit, plus € 484.000 aan verplichtingen uit hoofde van bankgaranties. De bankgaranties waren ten tijde van de behandeling van het verzoek tot homologatie niet getrokken. ABN heeft een eerste pandrecht op de voorraden, inventaris, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten van [verzoekster] .
[onderneming 3] , [onderneming 5] , [onderneming 6] en [onderneming 4] hebben (via [onderneming 2] ) in totaal een bedrag van € 5,6 miljoen aan [verzoekster] geleend. Deze partijen hebben een pandrecht (tweede in rang) op de voorraden, inventaris, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten.
[verzoekster] houdt alle aandelen in de besloten vennootschap [onderneming 7] B.V. [onderneming 7] heeft zich gericht op de in- en verkoop van dranken onder andere via slijterijen. Binnen [onderneming 7] vinden beperkte operationele activiteiten plaats. De handelsschulden van [onderneming 7] kunnen uit de opbrengst van deze activiteiten worden voldaan. De voorraden van [onderneming 7] zijn verpand aan ABN.
Oorzaken en achtergronden
Door veranderende marktomstandigheden zijn de activiteiten van de zelfbedieningsgroothandel van [verzoekster] verlieslatend geworden. De omzet van haar bezorgactiviteiten steeg echter. Medio 2018 is besloten de vestiging van de bezorggroothandel van [verzoekster] te verplaatsen van [vestigingsplaats 1] naar [plaats] om de bezorgactiviteiten beter te kunnen faciliteren. [verzoekster] heeft vervolgens geprobeerd de zelfbedieningsactiviteiten te verkopen. Naast het afbouwen van haar zelfbedieningsactiviteiten en het afvloeien van een substantieel deel van het personeel, is begin 2020 de zelfbedieningsgroothandel van [verzoekster] in [vestigingsplaats 1] gesloten.
Als gevolg van de verhuizing in 2018 heeft [verzoekster] gedurende twee jaar dubbele huisvestings- en personeelskosten gemaakt. De ontstane verliezen moesten begin 2020 worden terugverdiend uit de verwachte winst. De winstverwachtingen kwamen niet uit doordat de horecasector in maart 2020 werd getroffen door de coronacrisis. Als gevolg van de coronacrisis daalde de omzet van [verzoekster] van € 74,4 miljoen in 2019 naar € 37,2 miljoen in 2020 en € 32,0 miljoen in 2021. Ondanks de verstrekte overheidssubsidies realiseerde [verzoekster] een negatief operationeel resultaat voor afschrijvingen (EBITDA) van € 5,6 miljoen in 2020 en € 0,5 miljoen in 2021. Vanaf februari 2022 heeft de omzet zich hersteld naar een bedrag van € 56,0 miljoen en werd een negatief EBITDA gerealiseerd van € 1,9 miljoen.
De totale schuldenlast van [verzoekster] bedraagt eind 2022 ongeveer € 22,2 miljoen, bestaande uit € 5,6 miljoen aandeelhoudersleningen, € 2,6 miljoen van ABN, € 5,6 miljoen uitgestelde belastingschulden en ongeveer € 2,2 aan verplichtingen betreffende ontvangen coronasteun (NOW en TVL). [verzoekster] heeft op dat moment handelscrediteuren ten bedrage van ongeveer € 6,2 miljoen.
De Belastingdienst heeft vanaf 1 oktober 2022 in termijnen terugbetaling verlangd van de opgebouwde belastingschulden. In mei 2022 heeft ABN aan [verzoekster] bericht dat zij het bedrag van het rekening-courantkrediet van [verzoekster] wenste terug te brengen. Dit bleek voor [verzoekster] niet mogelijk. De schuldenpositie van [verzoekster] was structureel te hoog voor de haar afloscapaciteit.
Op 24 november 2022 heeft [verzoekster] een startverklaring gedeponeerd (artikel 370 lid 3 Fw). Als onderdeel van de voorbereiding van het akkoord heeft [verzoekster] overleg gepleegd met haar belangrijkste schuldeisers. Met name met de Belastingdienst, het UWV en ABN is gesproken over de totstandkoming van het akkoord. De vraag welke schuldeisers buiten het akkoord konden worden gehouden en wat per saldo de positie ten opzichte van het UWV zou zijn, is hierbij uitdrukkelijk aan de orde geweest. Ook de positie van de schuldeisers die wel of niet buiten het akkoord zouden worden gehouden, werd uitvoerig besproken.
De reorganisatie die voor de coronacrisis werd doorgevoerd, heeft weliswaar een operationeel gezonde onderneming opgeleverd, maar zonder financiële herstructurering zal [verzoekster] niet in staat zijn haar schulden te voldoen en zal [verzoekster] failliet gaan. Naast de onderhavige financiële herstructurering heeft [verzoekster] de volgende operationele maatregelen doorgevoerd:
- -
-
de verlieslatende zelfbedieningsgroothandel werd in januari 2020 gesloten;
- -
-
de inefficiënties in de logistieke processen, die mede als gevolg van de verhuizing waren ontstaan, zijn aangepakt;
- -
-
de personeelskosten zijn aantoonbaar gedaald doordat minder logistieke medewerkers nodig zijn;
- -
-
de huisvestingskosten zijn gedaald als gevolg van de verhuizing;
- -
-
[verzoekster] heeft een nieuwe webshop laten bouwen;
- -
-
de nieuwe locatie biedt ruimte voor verdere groei van de omzet;
- -
-
het nieuwe business model en de wijze van klantbediening en de commerciële doelen die hiermee samenhangen hebben geresulteerd in de werving van nieuwe klanten; en
- -
-
de winstgevendheid is toegenomen als gevolg van behaalde schaalvoordelen en relatieve kostenbesparingen.
Het akkoord
[verzoekster] heeft een taxatie laten uitvoeren om de waarde van haar bezittingen vast te stellen. Op 7 december 2022 is een taxatie van de vorderingen op debiteuren uitgevoerd. Een taxatie van de roerende zaken is uitgevoerd op 24 januari 2023. De taxaties zijn uitgevoerd door het [onderneming 8] (“ [onderneming 8] ”). [onderneming 8] heeft de waarde van de verschillende activa van [verzoekster] vastgesteld op een bedrag van € 2.627.582. Bij bepaling van de liquidatiewaarde is de waarderingsdeskundige ( [onderneming 1] ) van [verzoekster] van het volgende insolventiescenario uitgegaan:
In casu wordt verondersteld dat een gedwongen verkoop op een going concern basis niet leidt tot een hogere opbrengst dan wanneer de individuele activa worden verkocht. De rationale voor deze aanname is gelegen in het feit dat bij het publiek worden van informatie over een (naderend of uitgesproken) faillissement van de Onderneming, de leveranciers en afnemers hun handelsrelaties met de Onderneming onmiddellijk en volledig zullen staken vanwege de aard van de activiteiten in de sector en hun handelsrelaties elders onder zullen brengen. Iedere vorm van goodwill die aanwezig is binnen de Onderneming wordt daarmee terstond vernietigd. Om deze reden is gebruik gemaakt van een piece meal benadering waarbij de individuele activa van de Onderneming onder tijdsdruk gedwongen worden verkocht (“value as a forced liquidation”) om zodoende de uitkering in een faillissementssituatie te benaderen.
[onderneming 1] heeft de kosten van afwikkeling in faillissement begroot op een bedrag van € 1.639.000. Deze kosten zouden in een faillissement niet kunnen worden voldaan, gelet op de positie die ABN daarin zou innemen.
[verzoekster] heeft laten vaststellen welke waarde als gevolg van de voorgenomen herstructurering kan worden behouden. Deze reorganisatiewaarde is (op basis van een DCF-benadering) bepaald op een bedrag van € 4.046.371. Niet alle schulden van [verzoekster] worden gesaneerd. Een bedrag van € 797.516 zal volledig worden voldaan. Daarnaast zullen als gevolg van de totstandkoming van het akkoord fiscale verplichtingen ontstaan en worden voldaan voor een totaalbedrag van € 988.334.
[verzoekster] heeft ervoor gekozen om 20 november 2022 als datum in het akkoord te hanteren waarop haar schuldpositie wordt gefixeerd. De op die datum bestaande schulden worden meegenomen in het akkoord. [verzoekster] hanteert voor haar interne managementrapportages periodes van vier weken. Periode 10 eindigde op 20 november 2022 en was de meest recent afgesloten periode waarvoor een financieel en administratief dossier beschikbaar was.
De schuldeisers en aandeelhouders zijn onder het akkoord ingedeeld in de volgende klassen:
|
Vorderingen (€) |
Akkoord (€) |
Faillissement (€) |
|||
|
I. Preferente schuldeisers (Belastingdienst) |
5.675.001 |
1.185.607 |
21% |
63.259 |
1% |
|
II. Zekerheidsgerechtigden (ABN) |
2.795.380 |
1.419.138 |
51% |
1.075.077 |
38% |
|
III. Schuldeisers met een eigendomsvoorbehoud |
1.328.371 |
727.136 |
55% |
576.827 |
43% |
|
IV. Concurrente schuldeisers |
1.712.327 |
342.465 |
20% |
- |
0% |
|
V. Aandeelhoudersleningen |
5.780.328 |
- |
0% |
- |
0% |
|
Totaal |
17.291.407 |
3.674.346 |
1.715.163 |
De Belastingdienst (klasse I) zou in een hypothetisch faillissement € 63.259 ontvangen. Dit bedrag wordt onder het akkoord volledig voldaan. Over het restant van zijn vordering ontvangt de Belastingdienst een uitkering van 20% (€ 1.122.348), te voldoen in 12 gelijke maandelijkse termijnen. Tot zekerheid voor de nakoming van deze uitgestelde betalingsverplichting ontvangt de Belastingdienst een eerste pandrecht op vorderingen van [verzoekster] .
ABN (Klasse II) zou in faillissement op basis van haar zekerheidsrechten een bedrag ontvangen van € 1.075.077. Dit bedrag wordt onder het akkoord volledig voldaan. Over het resterende, niet door zekerheid gedekte deel van haar vordering (€ 1.720.303) ontvangt ABN een uitkering van 20%.
Schuldeisers die zaken onder eigendomsvoorbehoud hebben geleverd (Klasse III), zouden in het geval van een faillissement gezamenlijk € 576.827 ontvangen. Dit bedrag wordt onder het akkoord volledig voldaan, waarbij rekening wordt gehouden met de waarde van het eigendomsvoorbehoud van iedere schuldeiser. Voor het gedeelte van hun vorderingen dat niet onder het eigendomsvoorbehoud kan worden verhaald, ontvangen deze schuldeisers een percentage van 20%.
Concurrente schuldeisers (Klasse IV) zouden in faillissement geen uitkering ontvangen. Zij ontvangen onder het akkoord een uitkering van 20%.
Aandeelhouders en gelieerde partijen ontvangen onder het akkoord geen uitkering.
Een deel van de schuldeisers is niet bij het akkoord betrokken. Het betreft schuldeisers die voor de voortzetting van de onderneming essentieel zijn (dwangcrediteuren). Daarnaast is een groep schuldeisers met vorderingen van minder dan € 5.000, buiten het akkoord gehouden. Het UWV is buiten het akkoord gehouden met betrekking tot de NOW schulden en vorderingen. Tot slot is de verschuldigde omzetbelasting buiten het akkoord gehouden, omdat deze belastingschuld valt binnen een fiscale eenheid van de groep waartoe [verzoekster] behoort.
Voor de herstructurering is financiering nodig ten bedrage van € 3.035.998. Dit bedrag bestaat uit:
- een bedrag van € 2.551.998 dat als gevolg van het akkoord in cash zal moeten worden voldaan. Een gedeelte van de onder het akkoord verschuldigde uitkering aan de Belastingdienst zal worden uitgesteld;
- een bedrag van € 484.000 voor de voldoening van de verplichtingen onder het akkoord én voor het stellen van een nieuwe verhuurdersgarantie en voor een inkooporganisatie.
[verzoekster] heeft overeenstemming bereikt met [onderneming 4] om het voor het akkoord benodigde bedrag te verstrekken in de vorm van een geldlening. [onderneming 3] zal als onderdeel van deze nieuwe financiering een deel van haar aandelen in [onderneming 2] overdragen aan [onderneming 4] , die daardoor 25% van de aandelen van [verzoekster] zal gaan houden.
De stemming
Op 5 juni 2023 hebben de schuldeisers een conceptakkoord ontvangen. Zij hebben tot 19 juni 2023 de gelegenheid gehad om hun zienswijze hierop kenbaar te maken. [verzoekster] heeft de definitieve versie van het akkoord ter stemming voorgelegd aan haar schuldeisers op 26 juni 2023. De schuldeisers hebben 14 dagen de tijd gehad om hun stem kenbaar te maken. De stemperiode liep af op 10 juli 2023. Van de stemming is op 17 juli 2023 een stemverslag gemaakt dat dezelfde dag is gedeeld met de schuldeisers. Alle schuldeisers hebben volgens het stemverslag voor het akkoord gestemd. Twee schuldeisers uit klasse IV hebben niet gestemd.
Ten aanzien van [belanghebbende]
[belanghebbende] had op 20 november 2022 een vordering op [verzoekster] van € 17.821. [verzoekster] heeft deze vordering op 24 november 2022 aan [belanghebbende] voldaan door middel van een automatische incasso. [belanghebbende] werd ingedeeld in Klasse IV.