Home

Rechtbank Midden-Nederland, 12-09-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4693, 22/5493

Rechtbank Midden-Nederland, 12-09-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4693, 22/5493

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 september 2023
Datum publicatie
27 september 2023
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:4693
Zaaknummer
22/5493

Inhoudsindicatie

WOZ. Ongegrond. Artikel 40 WOZ. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/5493

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),

en

(gemachtigde: A.L.M. Keeris).

Procesverloop

In de beschikking van 21 februari 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 395.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.

De zaak is behandeld op de digitale zitting van 26 juni 2023. Eiser en de heffingsambtenaar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. De woning is een in 1972 gebouwde twee-onder-een-kapwoning. De woning heeft een woonoppervlakte van 116 m2 en is gelegen op een perceeloppervlakte van 472 m2.

2. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2021. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk maximaal € 351.000,-. Verweerder handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 395.000,-.

Het verweerschrift te laat ingediend?

3. Voordat de rechtbank over gaat tot inhoudelijk behandeling ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er gevolgen verbonden moeten worden aan het tijdstip waarop het verweerschrift is ingediend. Eiser stelt dat in het licht van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de goede procesorde en de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 1 juni 2022, verweerder het verweerschrift binnen vier weken na het beroepsschrift had moeten indienen.1 Dit heeft verweerder niet gedaan en, zo begrijpt de rechtbank, daarom moet het verweerschrift buiten beschouwing worden gelaten.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Het verweerschrift is binnengekomen op 31 mei 2023. Op 1 juni 2023 is het verweerschrift naar het kantoor van de gemachtigde van eiser toegestuurd. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2023. Het verweerschrift is 26 dagen voor de zitting ingediend. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om van het verweerschrift kennis te nemen en daarop (tijdens de zitting) te reageren. Op de zitting heeft eiser zijn standpunten over het verweerschrift naar voren gebracht. Daarbij komt dat het verweerschrift als nader stuk in ieder geval vóór de in artikel 8:58 Awb genoemde termijn van tien dagen is ontvangen. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een afbreuk aan het beginsel van gelijkwaardigheid van partijen of de goede procesorde. Het verweerschrift kan daarom worden betrokken bij de beoordeling van het geschil.

Beoordelingskader

5. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet verweerder inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.

6. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.

7. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft verweerder een taxatiematrix overlegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [woonplaats] , te weten:

-

[adres 2] , verkocht op 1 mei 2020 voor € 388.000,-.

-

[adres 3] , verkocht op 16 mei 2020 voor € 397.500,-.

-

[adres 4] , verkocht op 2 augustus 2021 voor € 485.000,-.

Beoordeling van het geschil

Heeft verweerder de waarde aannemelijk gemaakt?

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij in dezelfde buurt zijn gelegen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.

9. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank legt dat hierna uit.

Asbest

10. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van asbest in de woning. Verweerder is het hier niet mee eens. Uit de taxatiematrix blijkt dat verweerder namelijk de onderhoudstoestand van de woning op een ‘2’ heeft gewaardeerd. Dit betekent dat de onderhoudstoestand onder gemiddeld is. De onderhoudstoestand van de referentiewoningen is op een ‘3’ gewaardeerd. Dit houdt in dat een correctie van 5% is toegepast op de m2-prijzen van de referentiewoningen. Volgens verweerder is daarom voldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van asbest in de woning. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen. Eiser onderbouwt niet dat dit onjuist is. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in voldoende mate rekening heeft gehouden met asbest in de woning. De beroepsgrond slaagt niet.

De ligging

11.1.

Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning nabij het spoor. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat alle referentiewoningen nabij het spoor zijn gelegen. Dit heeft verweerder onderbouwd aan de hand van foto’s waaruit blijkt dat de woning 71,81 meter van het spoor ligt, [adres 2] 62,21 meter, [adres 4] 38,13 meter en [adres 3] 44,38 meter. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen. Een eventuele waardedrukkend effect in verband met de ligging van de woning geldt ook voor de referentiewoningen, zodat dit verdisconteerd is in de verkoopprijzen van deze referentiewoningen. De beroepsgrond slaagt niet.

11.2.

Eiser stelt daarnaast dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning aan de [straat] . Volgens eiser heeft de woning een gemiddelde geluidsmeting van 64 decibel. Bij de referentiewoningen is dat 57 tot 58 decibel. Verweerder heeft hierover toegelicht dat referentiewoning [adres 4] nabij de [straat] is gelegen. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen. Een eventuele waardedrukkend effect in verband met de ligging van de woning geldt ook voor [adres 4] , zodat dit verdisconteerd is in de verkoopprijs van deze referentiewoning. Dit is niet door eiser betwist. Bovendien blijkt uit de taxatiematrix dat de waarde van de woning in het economisch verkeer is vastgesteld op € 416.000,-. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 395.000,-. Hiermee acht de rechtbank dat er voldoende ruimte is om een eventueel waardedrukkend effect op te vangen. De beroepsgrond slaagt niet.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

12. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overlegd. Volgens eiser heeft verweerder in het taxatieverslag in de bezwaarfase niet inzichtelijk gemaakt welke KOUDV-factoren en eenheidsprijzen voor de referentiewoningen zijn gehanteerd. Deze informatie had verweerder volgens eiser wel voorhanden en heeft verweerder ten onrechte niet verstrekt.

13. De rechtbank is van oordeel dat de KOUDV- en liggingsfactoren behoren tot de gegevens die op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ op verzoek moeten worden verstrekt. In de uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 20212 heeft de rechtbank uitvoerig uiteengezet welke consequenties hieraan verbonden moeten worden. Uit de uitspraak volgt dat van eiser mag worden verwacht dat uiterlijk tijdens de hoorzitting in bezwaar wordt verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken.

In het Informatieblad Bezwaarschriften die als bijlage bij het bezwaar is gevoegd verzoekt eiser om de volgende stukken:

-

Taxatieverslag (en eventuele taxatie kaarten);

-

KOUDVL/VLOK/KWALUX factoren (of vergelijkbaar);

-

Grondstaffels;

-

Overige gebruikte of ter beschikking gestelde stukken;

-

Gesplitste opstalwaarde en/of grondwaarde;

-

Prijs per eenheid van het object en de referenties.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de KOUDV- en liggingsfactoren in het taxatieverslag zijn weergegeven. Deze gegevens zien echter alleen op de woning en niet op de referentiewoningen. De rechtbank stelt vast dat verweerder de volledige KOUDV- en liggingsfactoren van de referentiewoningen niet heeft verstrekt en wel voorhanden had in de bezwaarfase. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de gevraagde stukken maar gedeeltelijk aan eiser zijn verstrekt. Dit betekent dat er sprake is van een schending van artikel 7:4 Awb en artikel 40 Wet WOZ waardoor er bij eiser in de bezwaarfase een informatieachterstand is ontstaan. In de beroepsfase zijn deze gegevens wel verstrekt waardoor de informatieachterstand is hersteld.

14. De rechtbank ziet in het hiervoor vastgestelde gebrek geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen, omdat hiervoor ook is vastgesteld dat verweerder de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en niet is gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft immers in beroep alsnog kennis kunnen nemen van de KOUDV- en liggingsfactoren van de gehanteerde referentiewoningen en heeft deze kunnen betwisten. In navolging van de uitspraak van 5 juli 2021 betekent dit dat het geconstateerde gebrek kan worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Wel moet het gebrek ertoe leiden dat eiser recht heeft op vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten en het griffierecht.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding

15. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn voor een procedure bij een bestuursorgaan en de rechtbank tezamen in beginsel twee jaar is, waarbij de termijn voor de bezwaarfase een half jaar en voor de beroepsfase anderhalf jaar is.3 De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment dat de rechtbank over het geschil beslist. Omdat het bezwaarschrift van eiser op 1 april 2022 is ontvangen en de rechtbank binnen twee jaar na deze datum uitspraak doet, is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Conclusie

16. Omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, is het beroep ongegrond.

Proceskostenvergoeding 17. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Voor een veroordeling van de in bezwaar gemaakte proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

18. Op grond van artikel 8:75 van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit is verder uitgewerkt in het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit kan een veroordeling in deze kosten betrekking hebben op de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

19. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Bpb en de bijlage bij het Bpb wordt het bedrag van de rechtsbijstandskosten vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C). De toepasselijke wegingsfactoren zijn in onderdeel C van de bijlage van het Bpb onderverdeeld in wegingsfactoren ten aanzien van het gewicht van de zaak (C1) en wegingsfactoren ten aanzien van samenhangende zaken (C2).

20. Voor het gewicht van de zaak kent onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb de volgende indeling:

Gewicht

factor

zeer licht

0,25

Licht

0,5

Gemiddeld

1

Zwaar

1,5

zeer zwaar

2

21. In de toelichting bij het Bpb staat dat het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het werd niet wenselijk geacht om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Het opnemen van wegingsfactoren in onderdeel C1 van het Bpb berust volgens de toelichting op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.

22. De bestuursrechter moet zelf, op grond van een eigen waardering, beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

23. De rechtbank is van oordeel dat de waardering van woningen op grond van de Wet WOZ tot de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) behoort. De rechtbank vindt het belang van een reguliere WOZ-zaak over een woning namelijk beperkter en vindt dit soort zaken ook minder ingewikkeld dan een gemiddelde bestuursrechtelijke zaak. Het belang en de ingewikkeldheid zijn de criteria die het gewicht van de zaak bepalen volgens de toelichting van het Bpb. Dat WOZ-zaken over woningen van minder gewicht zijn komt ook tot uitdrukking in de bestaande zittingsplanning van de rechtbank, waarbij op een reguliere zitting van een halve dag zeven WOZ-zaken worden behandeld, tegenover drie reguliere bestuursrechtelijke zaken.4

24. In deze zaak gaat het over de WOZ-waarde van een woning. Dat betekent dat de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 hanteert. In afwijking van het Bpb, maar in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad hanteert de rechtbank een waarde per punt van € 837,-. Dit leidt tot de volgende proceskostenveroordeling. Voor rechtsbijstand wordt € 837,- toegekend (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 837,-.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 837,-;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2023.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep