Home

Rechtbank Midden-Nederland, 02-02-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1010, 21/5025

Rechtbank Midden-Nederland, 02-02-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1010, 21/5025

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
2 februari 2024
Datum publicatie
14 maart 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:1010
Zaaknummer
21/5025

Inhoudsindicatie

Geen procesbelang. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/5025

[eiser] , uit [plaats] (België), eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder

(gemachtigde: M. Boerlage).

Verder heeft als partij deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).

Inleiding

In de beschikking van 31 juli 2021 heeft de heffingsambtenaar een aanslag rioolheffing van € 69,60 voor het belastingjaar 2021 opgelegd voor [adres] .

Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 7 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de aanslag rioolheffing vernietigd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de digitale zitting van 29 januari 2024. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang

  1. Met het besluit van 7 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag rioolheffing gebruik vernietigd. De gemachtigde van eiser is alsnog in beroep gegaan, omdat hij antwoord wenst over de rechtmatigheid van de aanslagen in voorgaande belastingjaren.

  2. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft in deze zaak. Er bestaat namelijk geen inhoudelijk geschil meer over de juistheid van de aanslag rioolheffing voor het belastingjaar 2021 en heeft eiser bereikt wat hij wilde bereiken. De aanslag rioolheffing is immers vernietigd. Gelet daarop is het beroep niet-ontvankelijk. Het is niet de taak van de rechtbank om een principiële vraag te beantwoorden of te oordelen over beschikkingen waar de beroepsprocedure niet over gaat.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

3. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.

4. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 2 augustus 2021, de dag waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontving. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 1 augustus 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met 6 maanden overschreden. De bezwaarfase heeft ongeveer (afgerond) 5 maanden geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 13 december 2021, ongeveer (naar boven afgerond) 26 maanden geduurd en daarmee ongeveer 8 maanden te lang. De rechtbank heeft deze zaak op 9 december 2022 ambtshalve uitgesteld. Vervolgens is deze zaak op de zitting van 29 januari 2024 behandeld. De termijnoverschrijding wordt daarom aan de rechtbank toegerekend.

5. Deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de bestuursrechter moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn aan de hand van de omvang van de financiële belangen en de aard van de zaken. De rechtbank hanteert sinds 4 september 2023 een forfaitair uitgangspunt van € 50,- per half jaar in WOZ-zaken. In deze zaak gaat het over een rioolheffing. De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak aan te sluiten bij het uitgangspunt van € 50,- per half jaar. De rioolheffing in deze zaak is ook een eenmalige belastingaanslag. In deze zaak wordt daarom € 50,- immateriële schadevergoeding toegekend. In dit geval is de redelijke termijn met 6 maanden overschreden. Dat leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is aan de rechtbank toe te rekenen. Dat leidt ertoe dat de Staat € 50,- aan eiser moet betalen.

6. De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de Minister van Rechtsbescherming niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.

Griffierecht

7. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden.

8. Het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiser gedaan gedurende het beroep – overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarvoor was eiser geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de verzoeken is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.1

Proceskostenvergoeding

9. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er ook aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De rechtbank volgt daarin het uitgangspunt van de Hoge Raad2 om 1 punt toe te kennen met wegingsfactor 0,25. Omdat het beroep ongegrond is, worden er geen andere punten toegekend. 1 punt heeft in beroep een waarde van € 875,-. In totaal wordt dus € 875,- * 0,25 = € 218,75 toegekend.

10. De rechtbank wijst de Staat erop dat zij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en immateriële schadevergoeding uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Beslissing

Informatie over hoger beroep