Rechtbank Midden-Nederland, 18-03-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1768, UTR 23/2394
Rechtbank Midden-Nederland, 18-03-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1768, UTR 23/2394
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 18 maart 2024
- Datum publicatie
- 10 april 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1768
- Zaaknummer
- UTR 23/2394
Inhoudsindicatie
WOZ. HWK. Schending artikel 40 van de Wet WOZ met toepassing artikel 6:22 Awb. Waarde aannemelijk gemaakt. Veroordeling PKV + Griffierecht vanwege 6:22.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2394
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats 1] , eiseres
(gemachtigde: C. van Abbe),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: M. Boerlage).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [vestigingsplaats 2] (het object).
In de beschikking van 28 februari 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde het object voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 659.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres als gebruiker van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting en rioolheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 21 april 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij is de WOZ-waarde van het object gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met taxatiematrices ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 23 januari 2024. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door dhr. [taxateur] , taxateur.
Overwegingen
De aanleiding voor deze procedure
2. In geschil is de waarde van het object per 1 januari 2021. Eiseres bepleit een lagere waarde, namelijk € 494.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 659.000,-. Naast de hoogte van de WOZ-waarde is in geschil of de heffingsambtenaar op verzoek van eiseres alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem heeft gestuurd.
Beoordeling van het procedurele geschil
3. De rechtbank bespreekt eerst het formele punt over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarna gaat zij in op het geschil over de WOZ-waarde.
Beroep op artikel 40 van de Wet WOZ
Eiseres stelt dat de heffingsambtenaar geen inzicht heeft gegeven over welke methode is gebruikt en op basis van welke gegevens de kapitalisatiefactor is vastgesteld. Hierdoor ontbreekt inzichtelijkheid en controleerbaarheid en dreigt een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan. De heffingsambtenaar heeft hiermee niet voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 40 van de Wet WOZ.
De rechtbank heeft op de zitting aan de gemachtigde van de heffingsambtenaar gevraagd of er in de bezwaarfase stukken en/of gegevens waren die ten grondslag lagen aan het vaststellen van de kapitalisatiefactor die niet zijn verstrekt. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft hier bevestigend op geantwoord en heeft toegelicht dat aan de voorkant van het proces een analyse wordt gemaakt waar men uit put. Sommige gegevens verkrijgt de taxateur mondeling of telefonisch en worden niet vastgelegd in documenten.
De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van het object. De heffingsambtenaar was daarom op grond van artikel 40 van de Wet WOZ gehouden te voldoen aan het verzoek van eiseres om hem de gegevens te verstrekken die ten grondslag liggen aan de gehanteerde kapitalisatiefactor. Nu de heffingsambtenaar dit heeft nagelaten, zoals op de zitting is erkend, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ.
Schending van artikel 40 van de Wet WOZ leidt op zichzelf niet direct tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om de bestreden uitspraak te vernietigen, omdat de informatieachterstand in beroep is hersteld. Eiseres heeft namelijk in beroep alsnog kennis kunnen nemen van de gegevens op basis waarvan de kapitalisatiefactor is vastgesteld en daarop kunnen reageren. Hij is daarom niet langer benadeeld door het achterwege blijven van de informatieverstrekking in de bezwaarfase. In navolging van de uitspraak van 5 juli 2021 betekent dit dat het geconstateerde gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
De beroepsgronden tegen de voor het object vastgestelde WOZ-waarde slagen niet. Dat legt de rechtbank hierna uit.
Beoordeling van de hoogte van de WOZ-waarde
Ingetrokken beroepsgrond
4. Eiseres stelt dat de zonnepanelen die op het dak van het object liggen niet aan hem zijn toe te bedelen, omdat er meerdere bedrijven gevestigd zijn in het pand. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres deze beroepsgrond ingetrokken. De rechtbank zal deze grond dan ook niet verder bespreken.
Beoordelingskader
5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van het object op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De WOZ-waarde is de waarde in het economisch verkeer. Om de waarde te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd, waarin hij de waarde berekent met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. De huurwaardekapitalisatiemethode kent als variabelen de brutohuurwaarde en de kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit transacties van vergelijkbare objecten.
Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van het object moet worden bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. De rechtbank volgt partijen hierin.
De beoordeling van de zaak
6. De heffingsambtenaar is uitgegaan van een brutohuurwaarde van € 68.014,- per jaar. De heffingsambtenaar heeft de huurwaarde van het object onderbouwd met de gerealiseerde huurtransacties van vier in [vestigingsplaats 2] gelegen onroerende zaken die in gebruik zijn als opslag/distributie en als toonzaal. Uit deze huurtransacties volgen huurwaardes per m2 van € 108,-, € 70,-, € 56,- en € 72,-. Voor het object heeft de heffingsambtenaar een huurwaarde per m2 van € 60,- per m2 gehanteerd. De gehanteerde huurwaarde is daarmee in lijn met de gerealiseerde huurwaardes. De kapitalisatiefactor van 9,7 voor het object heeft de heffingsambtenaar afgeleid uit gerealiseerde transactiecijfers van drie andere in [vestigingsplaats 2] gelegen objecten die in gebruik zijn als productie en opslag/distributie. De kapitalisatiefactoren van deze referentieobjecten zijn bepaald op 12,1, 14,4 en 16,5 en daarmee hoger dan de kapitalisatiefactor die het object is aangehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de gegeven onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van het object niet te hoog heeft vastgesteld.
Wat eiseres in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat legt zij hierna uit.
Objectkenmerken
7. Eiseres stelt dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van onjuiste objectkenmerken door ten onrechte 1134 m2 als gebruiksoppervlakte te nemen in plaats van 1026 m2.
De heffingsambtenaar stelt terecht uit te zijn gegaan van 1134 m2 en acht de stelling van eiseres onvoldoende onderbouwd en niet betrouwbaar. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt en ziet geen reden om te twijfelen aan het aantal m2 waar de heffingsambtenaar vanuit is gegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de stelling van eiseres slechts wordt onderbouwd door zijn eigen opgave die verder niet is onderbouwd met stukken De beroepsgrond slaagt niet.
Huurwaarde
8. Eiseres stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het eigen huurcijfer van het object. Eiseres voert in dat kader aan dat het eigen huurcijfer van € 57.093,- de beste indicatie is om van uit te gaan bij het bepalen van de bruto huurwaarde.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat geprobeerd is aan te sluiten bij het eigen huurcijfer van eiseres, maar dat eiseres niet heeft gereageerd op het verzoek om een afschrift van het huurcontract. Zonder nadere gegevens is de vermelding van een gesteld eigen huurbedrag zonder betekenis. Het had op de weg van eiseres gelegen om deze informatie te verstrekken als hij vond dat dit de beste onderbouwing voor de bruto huurwaarde betrof. De beroepsgrond slaagt niet.