Home

Rechtbank Midden-Nederland, 17-01-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:194, 554951

Rechtbank Midden-Nederland, 17-01-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:194, 554951

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 januari 2024
Datum publicatie
19 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:194
Zaaknummer
554951

Inhoudsindicatie

[eiseres] is eind 2018 opgericht met [A] en [gedaagde sub 3] als indirecte grootaandeelhouders en bestuurders. [eiseres] is nu een lege vennootschap met alleen [A] als indirect bestuurder. Volgens [eiseres] hebben

[gedaagde sub 4], [gedaagde sub 3] en zijn vennootschappen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ervoor gezorgd dat [eiseres] zonder product en middelen is achtergelaten en haar concrete ‘corporate opportunities’ (zakelijke kansen) heeft verloren. Zij vordert onder meer een voorschot op de schade die zij daardoor heeft geleden. [gedaagde sub 2] c.s. betwisten dat zij [eiseres] corporate opportunities hebben ontnomen. De rechtbank stelt hen hierna in het gelijk.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/554951 / HA ZA 23-277

Vonnis van 17 januari 2024

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. Y.A. Wehrmeijer in Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] B.V.

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonend in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,

gedaagde partijen,

hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagde sub 2] c.s. (in meervoud),

advocaat: mr. M.H.G. Plieger in Nieuwegein,

4. [gedaagde sub 4] ,

wonend in [woonplaats 2] (Denemarken),

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 54 - de akte met aanvullende producties 55 tot en met 67 van [eiseres]

- het tegen [gedaagde sub 4] verleende verstek

- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] c.s.

- de akte met producties A tot en met E van [gedaagde sub 2] c.s. - de e-mail van 25 juli 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald

- de akte met producties 68, 69 en 71 van [eiseres]

- de akte eiswijziging met productie 70

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 november 2023 en de daarin genoemde spreekaantekeningen.

1.2.

Aan het eind van de mondelinge mondeling is bepaald dat vonnis wordt gewezen. Daarna heeft [eiseres] het exploot van betekening aan [gedaagde sub 4] van de akte van eiswijziging aan de rechtbank toegestuurd. [gedaagde sub 2] c.s. hebben daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft dit bezwaar op 20 november 2023 afgewezen.

1.3.

[gedaagde sub 2] c.s. hebben ook bezwaar gemaakt tegen de laatste twee akten van [eiseres] .

1.4.

Het bezwaar tegen de eiswijziging wordt afgewezen. Een eiswijziging is toegestaan zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Dat is alleen anders wanneer de wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde (zie artikel 130 lid 1 Rv). Die situatie doet zich hier niet voor. De eiswijziging houdt kort gezegd in dat [eiseres] (1) een voorschot op de te vergoeden schade vordert en (2) inzage in de stukken die de deurwaarder bij (onder andere) [gedaagde sub 2] in beslag heeft genomen. De eerste eis ligt in het verlengde van de in de dagvaarding gevorderde schadevergoeding. De tweede eis is ook onderwerp van geschil geweest in een kort geding waarin op 4 juli 2023 vonnis is gewezen. Het gaat dus niet om totaal nieuwe vorderingen, zoals [gedaagde sub 2] c.s. stellen. Bovendien hebben zij de gelegenheid gehad om op de zitting op deze vorderingen te reageren.

1.5.

Het bezwaar tegen de andere akte richt zich, zo begrijpt de rechtbank, met name op productie 68. Dat is het enquêteverzoek dat [eiseres] op 24 oktober 2023 heeft ingediend bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. [eiseres] heeft dit verzoekschrift diezelfde dag per e-mail van 14.57 uur aan de rechtbank gestuurd. Dat was strikt genomen te laat, want partijen hadden tot 13.30 uur de tijd om aanvullende stukken in te dienen. Maar de rechtbank ziet hierin – anders dan [gedaagde sub 2] c.s. – geen reden om het verzoekschrift buiten beschouwing te laten. Uiteraard geldt wel het vereiste dat een partij die zich op bepaalde feiten en omstandigheden wil beroepen, dit op zo’n manier moet doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor de beoordeling van de vordering wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop zij haar reactie moet afstemmen (zie onder meer Hoge Raad 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:197). Dat betekent dat [eiseres] niet kan volstaan met de opmerking dat zij met het enquêteverzoek (dat 67 pagina’s omvat en 118 producties) de feitelijke grondslag van haar vorderingen aanvult. De rechtbank zal slechts acht slaan op dit verzoekschrift voor zover [eiseres] daar tijdens de mondelinge behandeling naar heeft verwezen, duidelijk is op welke feiten en omstandigheden zij zich beroept en [gedaagde sub 2] c.s. daar op de mondelinge behandeling (voldoende) op heeft kunnen reageren.

2 De kern van de zaak

3 De achtergrond van het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing