Home

Rechtbank Midden-Nederland, 11-04-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2231, UTR 23/5185

Rechtbank Midden-Nederland, 11-04-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2231, UTR 23/5185

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11 april 2024
Datum publicatie
3 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:2231
Zaaknummer
UTR 23/5185

Inhoudsindicatie

Pv mondeling. Naheffing parkeerbelasting. Pardontijd nadat aanmelden via parkeerapp niet lukt. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/5185

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2024 in de zaak tussen

(gemachtigde: A. Khadri)

en

(gemachtigde: P. Blokhuis)

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 oktober 2023 (de bestreden uitspraak), waarbij de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van 14 april 2023 voor een bedrag van € 69,40 is gehandhaafd.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 11 april 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van de heffingsambtenaar is verschenen. De rechtbank heeft telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van eiser omdat hij zonder voorafgaand bericht niet verscheen. De gemachtigde deelde mede dat hij het dossier aan zijn kantoorgenoot had overgedragen en dat die de zitting blijkbaar over het hoofd heeft gezien. Volgens de gemachtigde zijn de standpunten in het beroepschrift voldoende toegelicht.

De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot de beslissing is gekomen.

2. Op 4 april 2023 om 20.23 uur stond de auto met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van het Noordse Bosje in Hilversum (de locatie). Deze straat ligt in een zone waarvoor betaald parkeren geldt. Parkeercontroleurs hebben vastgesteld dat de auto daar stond geparkeerd terwijl geen parkeerbelasting was betaald. Daarom is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,40.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij om 20.22 uur op de locatie aankwam, de auto afsloot en in de richting van zijn bestemming liep. Om 20.23 uur poogde hij het kenteken aan te melden voor het betaald parkeren (online). Dit lukte niet direct door een fout in de internetbrowser. Om 20.24 uur activeerde hij het betaald parkeren (online) via een bezoekersregeling. Eiser verwijst naar een foto bijlage. Om 20.23 uur is er proces-verbaal opgemaakt voor het niet betalen van parkeerbelasting. Omdat er één minuut tijdsverschil is tussen het opmaken van het proces-verbaal en het begin van de parkeertransactie is er ten onrechte geen enkele rekening gehouden met de pardontijd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zo spoedig als mogelijk de parkeerbelasting door de rechthebbende van de bezoekerspas heeft laten voldoen en verwijst daarbij naar een uitspraak.1

4. De heffingsambtenaar voert aan dat het voor rekening en risico van eiser komt dat het aanmelden van zijn kenteken via de belprovider niet is gelukt. Het had op de weg van eiser gelegen om zijn gastheer of gastvrouw te vragen om zijn kenteken aan te melden, terwijl hij zelf bij de auto bleef wachten.

5. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet is bepaald dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In het onderhavige geval is dit geregeld in de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 van de gemeente Hilversum (de verordening).

6. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd aan eiser, omdat hij geen parkeerbelasting heeft betaald ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag. Eiser geeft namelijk zelf aan dat hij de auto heeft afgesloten en in de richting van zijn bestemming is gelopen. Het is de keuze van eiser geweest om de plek waar hij zijn auto geparkeerd had te verlaten en daarna pas - onderweg naar zijn bestemming – te proberen om zijn kenteken aan te melden voor het betaald parkeren. Dat dit niet lukte, komt voor rekening en risico van eiser. Eiser heeft er vervolgens voor gekozen om niet terug te lopen naar zijn voertuig, maar verder te lopen naar zijn bestemming. Het is eveneens de keuze van eiser geweest om pas bij aankomst op zijn bestemming zijn gastheer of gastvrouw te vragen om zijn kenteken als bezoeker aan te melden in plaats van bij zijn auto te blijven wachten en vanaf daar te vragen om zijn kenteken aan te melden. Deze keuzes komen voor rekening en risico van eiser. De pardontijd, waar eiser een beroep op doet, strekt ertoe dat de belastingplichtige enige tijd moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting. Het gaat dan om het zich onverwijld van het voertuig naar de parkeerautomaat begeven, het eventueel wachten bij de automaat als het druk is, het kopen van een kaartje en ten slotte het zich weer onverwijld terug begeven naar het voertuig. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat eiser zijn voertuig heeft verlaten om naar zijn bestemming te gaan. De door eiser aangehaalde uitspraak is niet vergelijkbaar, omdat dit een zaak betrof waarbij betrokkene zich wel succesvol via een parkeerapp had aangemeld, maar waarbij in deze app niet zichtbaar was dat er maximaal 30 minuten geparkeerd mocht worden.

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

8. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2024.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep