Home

Rechtbank Midden-Nederland, 11-06-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3679, UTR 23/3306 en UTR 23/3309

Rechtbank Midden-Nederland, 11-06-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3679, UTR 23/3306 en UTR 23/3309

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
3 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:3679
Zaaknummer
UTR 23/3306 en UTR 23/3309

Inhoudsindicatie

WOZ. Woningen. Beroep ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Dit geldt ook voor de veroordeling van eiser in de proceskosten van de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/3306 en UTR 23/3309

[eiser] , te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar.

(gemachtigde: D.J. Koopmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaken aan [adres 1] (woning 1) en de [adres 2] (woning 2), beide gelegen in [plaats 1] .

2. In de beschikking van 28 februari 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar de waarde van woning 1 vastgesteld op € 424.000,- en woning 2 vastgesteld op € 737.000,-.

3. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 26 juni 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de vastgestelde waarden gehandhaafd.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met twee taxatiematrices ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [taxateur] (taxateur).

Feiten

6. Eiser is eigenaar van woning 1 en woning 2. Woning 1 is een appartement uit het bouwjaar 2016 en heeft een gebruiksoppervlakte van 122 m2. Bij deze woning behoren een berging van 6 m2, een dakterras van 40 m2 en een parkeerplek. Woning 2 is een twee-onder-één kap woning uit het bouwjaar 2007 en heeft een gebruiksoppervlakte van 148 m2 en een perceel van 415 m2. Bij deze woning behoren een aanbouw van 57 m2, een kelder, een zwembad, een dakkapel en een overkapping.

7. In geschil is de hoogte van de WOZ-waarde van beide woningen. Volgens eiser zijn de waardes te hoog vastgesteld. Eiser is van mening dat de waarde van woning 1 vastgesteld moet worden op € 400.000,- en de waarde van woning 2 niet hoger kan zijn dan € 688.000,-. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woningen onderbouwd met taxatiematrixen. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde WOZ-waardes van € 400.000,- (woning 1) en € 688.000,- (woning 2).

Overwegingen

Woning 1 ( [adres 1] , UTR 23/3306)

Woning 2 ( [adres 2] , UTR 23/3309)

Conclusie en gevolgen

Beoordeling door de rechtbank

Informatie over hoger beroep