Home

Rechtbank Midden-Nederland, 29-10-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6097, 23/6288

Rechtbank Midden-Nederland, 29-10-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6097, 23/6288

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 oktober 2024
Datum publicatie
19 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:6097
Zaaknummer
23/6288

Inhoudsindicatie

WOZ, woning. Gegrond. Partijen zijn bij wijze van compromis tot een overeengekomen waarde gekomen. Geen schending van art. 40 WOZ.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/6288

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.F.J.M. van Abbe)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde: B. Boersma).

Inleiding

1.1.

Deze zaak gaat over het beroep van eiser tegen de WOZ-waarde van een woning aan de [adres] in [plaats] (de woning).

1.2

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 28 februari 2023 (het primaire besluit) op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 678.000,- naar de waardepeildatum

1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij de WOZwaarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

1.3

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 9 november 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.

1.4

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend met een compromisvoorstel van € 584.000,- met een taxatiematrix.

1.5

De zaak is behandeld op de digitale zitting van 19 september 2024. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] (taxateur).

Overwegingen

2. Eiser is eigenaar van de woning, een twee-onder-een-kapwoning gebouwd in 1880. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 109 m2. De woning beschikt over een stuk grond van 100 m2 waarbij sprake is van erfdienstbaarheid.

3. Partijen zijn bij wijze van compromis overeengekomen dat de waarde in het economisch verkeer van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 € 584.000,- moet bedragen. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

Schending van art. 40 WOZ

4. In geschil is nog de vraag of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 40 van de Wet WOZ. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar niet voldaan heeft aan het verzoek om in de bezwaarfase de liggingswaardering van de woning en de referentiewoningen over te leggen en verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad1. Het ontbreken van deze informatie in de bezwaarfase zou eiser ertoe hebben gedwongen om beroep in te stellen, om zo tot een deugdelijke motivering van de waarde van de woning te komen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting toegelicht dat alle vragen van eiser uit de schriftelijke hoorzitting, waaronder de vraag naar informatie over de liggingswaardering, uitgebreid zijn beantwoordt in een e-mail op 4 oktober. Zo is uitgelegd hoe rekening wordt gehouden met de ligging van de woning en die van de referentiewoningen, namelijk dat die is verdisconteerd in de verkoopcijfers van de referenties. De heffingsambtenaar wijst er verder op dat er geen andere werkwijze is gehanteerd dan gebruikelijk. Eiser heeft dat niet weersproken.

5. De rechtbank is van oordeel dat art. 40 van de Wet WOZ niet geschonden is in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar heeft geen andere werkwijze toegepast dan gebruikelijk en die werkwijze vindt de rechtbank goed te volgen. De rechtbank heeft in vergelijkbare zaken, waarin dezelfde werkwijze is toegepast, geoordeeld dat er geen sprake is van strijd met art. 40 Wet WOZ.2 In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Met de reactie op de schriftelijke hoorzitting heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase voldoende inzicht gegeven in de manier waarop is omgegaan met de liggingswaardering. Als eiser na ontvangst van de informatie in de e-mail van 4 oktober nog vragen had over de liggingswaardering, dan had hij voldoende gelegenheid om op die e-mail te reageren voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan. Het is niet gebleken dat eiser genoodzaakt was om beroep in te stellen om zo de onderbouwing van de waarde van de woning te kunnen controleren.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

6. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten en het griffierecht. De hoogte van de proceskostenvergoeding is nog in geschil. Eiser heeft verzocht om proceskostenvergoeding conform een uitspraak van de Hoge Raad3 waarin het bedrag van € 624,- per punt wordt gehanteerd en een weging van 1 wordt toegepast. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd een zeer lichte weging van 0,25 toe te passen als het gaat om de hoogte van de proceskostenvergoeding en geeft aan dat dat aansluit bij het beleid van de rechtbank Midden-Nederland4.

7. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing, omdat de aanslag en de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateren.5 De rechtbank bepaalt de wegingsfactor voor de proceskosten overeenkomstig haar uitgangspunten.6 In het kort houdt dat in dat bij het gebruik van een gestandaardiseerde werkwijze in WOZ-zaken over de waardering van woningen, dat wil zeggen met een algemeen geformuleerd beroepschrift voor vrijwel iedere procedure, de gewichtscategorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) wordt gebruikt.

8. In deze zaak gaat het over de WOZ-waarde van een woning en heeft gemachtigde van eiser gebruik gemaakt van een gestandaardiseerde werkwijze. Dat betekent dat de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 hanteert. Voor de rechtsbijstand wordt € 582,50 toegekend: twee punten van € 310,- per punt in bezwaar (indienen bezwaarschrift en hoorzitting) en twee punten van € 875,- per punt in beroep (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting). Daarnaast wordt € 128,26 toegekend voor de kosten van het taxatierapport dat eiser heeft laten opstellen in bezwaar. Dat maakt dat de proceskostenvergoeding in totaal € 720,26 bedraagt. Ook moet de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiser vergoeden.

9. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep