Rechtbank Midden-Nederland, 17-01-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:98, C/16/551719 / HA ZA 23-119
Rechtbank Midden-Nederland, 17-01-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:98, C/16/551719 / HA ZA 23-119
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 17 januari 2024
- Datum publicatie
- 29 januari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:98
- Zaaknummer
- C/16/551719 / HA ZA 23-119
Inhoudsindicatie
Het gaat in dit geschil om de vraag of een minderheidsaandeelhouder zich terecht heeft verzet tegen twee besluiten tot aandelenuitgifte, omdat zij haar stortingsplicht niet mag verrekenen met een door haar verstrekte achtergestelde geldlening aan de vennootschap. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van de uitleg van een vaststellingsovereenkomst en vernietigt de twee besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 BW).
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/551719 / HA ZA 23-119
Vonnis van 17 januari 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten mr. M.H.J. van Rest en mr. M.J.A. de Wit te ’s-Gravenhage,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten mr. R. Le Grand en mr. Y.A.Y. Sevink te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
gedaagde in conventie,
advocaten mr. J. de Rooij, mr. J.A.I. Verheul en mr. C. Boersma te Amsterdam.
Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden en gedaagden afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk in meervoud [gedaagden sub 1 en sub 2]
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het vonnis in het incident van 22 februari 2023 en de daarin genoemde processtukken, waarbij [gedaagde sub 2] is toegestaan zich aan de zijde van [gedaagde sub 1] te voegen;
- -
-
de conclusie van antwoord in conventie van [gedaagde sub 2] na voeging met producties 1 tot en met 16;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] tevens akte eisvermeerdering in conventie met producties 5 tot en met 24;
- -
-
de akte houdende vermeerdering en wijziging van eis in reconventie van [gedaagde sub 1] met producties 18 tot en met 24;
- -
-
de akte reactie vermeerdering en wijziging van eis in reconventie, tevens akte uitlaten producties, tevens akte overlegging producties 25 tot en met 27 van [eiseres] ;
- -
-
de email van 17 oktober 2023 van mr. Le Grand met productie 25;
- -
-
de mondelinge behandeling van 27 oktober 2023, waarvan aantekeningen zijn gemaakt en waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Kern van het geschil en het oordeel
De algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] heeft twee besluiten genomen tot aandelenuitgiftes. In de kern gaat het in dit geschil om het antwoord op de vraag of [eiseres] zich terecht tegen deze besluiten heeft verzet, omdat zij haar stortingsplicht bij de aandelenuitgiftes niet mag verrekenen met een door haar verstrekte achtergestelde geldlening. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat beide besluiten vernietigbaar zijn en wijst de (primaire) vordering in conventie toe. Omdat [eiseres] zich terecht tegen de aandelenuitgiftes heeft verzet, is van een tekortkoming of onrechtmatig handelen van haar zijde tegenover [gedaagde sub 1] geen sprake. [gedaagde sub 1] kan daarom geen aanspraak maken op schadevergoeding. De eis in reconventie wordt daarom afgewezen.
3 3. Waar het in deze zaak om gaat
[gedaagde sub 1] exploiteert (indirect) diverse horecagelegenheden, zoals de restaurantketens [horecagelegenheid 1] , [horecagelegenheid 2] en [horecagelegenheid 3] . [gedaagde sub 2] is de meerderheidsaandeelhouder van [gedaagde sub 1] en houdt 66,72% van de aandelen. [gedaagde sub 2] is een (indirecte) dochtervennootschap van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ).
[eiseres] is de persoonlijke holdingvennootschap van de heer [A] (" [A] "). [A] richtte in 2011 de restaurantketen [horecagelegenheid 4] op.
Op 2 juli 2021 heeft [gedaagde sub 1] via haar dochter [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) alle aandelen in [bedrijf 3] B.V. van [eiseres] gekocht. Ter waarde van een deel van de koopprijs heeft [eiseres] een aandelenbelang van 9,02% in [gedaagde sub 1] verkregen. Voor een bedrag van € 9.750.000,- heeft [eiseres] aan [bedrijf 2] een achtergestelde lening verstrekt (hierna: de Vendor Loan). Daarbij werd afgesproken dat [eiseres] haar stortingsplicht bij een aandelenuitgifte slechts mag verrekenen met het uitstaande bedrag onder de Vendor Loan, indien de gecumuleerde stortingsplicht het drempelbedrag van € 2,5 miljoen te boven gaat. Dit alles is vastgelegd in een Share Purchase and Investment Agreement (hierna: SPIA). [gedaagde sub 1] heeft de Vendor Loan op 3 april 2022 van [bedrijf 2] overgenomen.
Kort na deze overname van de Vendor Loan ontstond bij [gedaagde sub 1] een financieringstekort tijdens de COVID 19-pandemie. Door (internationale) strategische keuzes van [bedrijf 1] als grootaandeelhouder van [gedaagde sub 1] , kwam [gedaagde sub 1] niet in aanmerking voor financiële steun in de vorm van de tijdelijk Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (hierna ook: de NOW-gelden).
[eiseres] en [gedaagde sub 2] zijn met elkaar in gesprek gegaan over het ontstane financieringstekort bij [gedaagde sub 1] en de wijze waarop de benodigde financiering zou kunnen worden aangetrokken.
Op dit punt hebben partijen, hangende een door [eiseres] aangespannen kortgedingprocedure bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, op 13 januari 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen (en de andere aandeelhouders van [gedaagde sub 1] ) onder meer afgesproken dat [bedrijf 1] [gedaagde sub 1] kapitaal zal verstrekken door de uitgifte van aandelen ter compensatie van de misgelopen NOW-gelden (NOW 7 en 8). Daarbij is afgesproken dat als [eiseres] in dat geval gebruik maakt van haar voorkeursrecht en aandelen bijkoopt, zij het aankoopbedrag mag verrekenen met haar uitstaande Vendor Loan.
Omdat de verwachting was dat ook in de toekomst geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van de NOW-regeling, is met de aandeelhouders van [gedaagde sub 1] in artikel 17.8 van de Amended and Restated Shareholders' Agreement van 3 april 2022 (hierna: de SHA) onder meer overeengekomen dat in geval dat [gedaagde sub 1] (en/of haar dochtervennootschappen) coronasteun zouden mislopen vanwege strategische overwegingen van [bedrijf 1] en bij (een van) de vennootschappen daardoor een liquiditeitstekort zou ontstaan, de aandeelhouders dan te goeder trouw oplossingen met elkaar zouden zoeken voor het liquiditeitstekort.
De algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] (hierna: de AvA) heeft op 16 mei 2022 besloten tot een aandelenuitgifte tegen een uitgifteprijs van in totaal € 5.813.115,- ter compensatie van de misgelopen NOW 7. [eiseres] heeft bij deze uitgifte gebruik gemaakt van haar voorkeursrecht en het aankoopbedrag met het uitstaande bedrag onder de Vendor Loan verrekend.
Op 22 juli 20221 heeft de AvA een besluit genomen tot het doen van een aandelenuitgifte tegen een uitgifteprijs van € 2.186.885,- ter compensatie van de misgelopen NOW 8. Bij deze uitgifte heeft [eiseres] gebruik gemaakt van haar voorkeursrecht en het aankoopbedrag met het uitstaande bedrag onder de Vendor Loan verrekend.
Op 22 juli 2022 heeft de AvA nog een besluit genomen tot het doen van een aandelenuitgifte tegen een uitgifteprijs van € 1.704.068,- (hierna: de Extra Aandelenuitgifte).
Vervolgens heeft de AvA op 8 november 2022 een besluit genomen tot het doen van een aandelenuitgifte van € 1.883.750,- (hierna: de Extra November Aandelenuitgifte).
[eiseres] heeft zich bij [gedaagde sub 1] en de uitvoerend notaris verzet tegen de Extra Aandelenuitgifte en de Extra November Aandelenuitgifte, omdat zij van mening is dat zij ten onrechte haar aankoopbedrag niet mag verrekenen met de Vendor Loan, zoals is overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. De uitgiftes hebben daardoor tot heden nog niet plaatsgevonden.
Omdat [gedaagde sub 1] aanvullend kapitaal nodig had, hebben de aandeelhouders [gedaagde sub 2] en [bedrijf 4] B.V. aan [gedaagde sub 1] twee overbruggingsleningen verstrekt ter hoogte van het bedrag van de Extra Aandelenuitgifte en de Extra November Aandelenuitgifte (hierna: de overbruggingsleningen) tegen een rente van 10%.
De vorderingen van [eiseres]
[eiseres] vordert na vermeerdering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair:
(i) te vernietigen het op 22 juli 2022 door de algemene vergadering van
aandeelhouders van [gedaagde sub 1] genomen besluit, voor zover dit ziet op de
voorgenomen uitgifte van aandelen tegen een totale uitgifteprijs van € 1.704.068,- (de Extra Aandelenuitgifte) waarbij [eiseres] het recht wordt onthouden om het aankoopbedrag te verrekenen met de Vendor Loan;
(ii) te vernietigen het op 8 november 2022 door de algemene vergadering van
aandeelhouders van [gedaagde sub 1] genomen besluit, voor zover dit ziet op de
voorgenomen uitgifte van aandelen tegen een totale uitgifteprijs van € 1.883.750,- (de Extra November Aandelenuitgifte) waarbij [eiseres] het recht wordt onthouden om het aankoopbedrag te verrekenen met de Vendor Loan;
subsidiair:
te verklaren voor recht dat [eiseres] haar stortingsplicht ten aanzien van de Extra Aandelenuitgifte en Extra November Aandelenuitgifte mag verrekenen met
de Vendor Loan;
II. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [bedrijf 1] (de rechtbank begrijpt dat hier [gedaagde sub 2] wordt bedoeld) in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.
De tegenvorderingen van [gedaagde sub 1]
[gedaagde sub 1] vordert na vermeerdering en wijziging van eis:
I. [eiseres] te verplichten om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de effectuering van de Extra Aandelenuitgifte, althans deze niet te frustreren, zulks op straffe van verbeurte van een aan [gedaagde sub 1] te betalen dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat zij voornoemde medewerking niet verleent, althans de Extra Aandelenuitgifte frustreert, tot een maximum van € 1,7 miljoen;
II. [eiseres] te verplichten om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de effectuering van de November Extra Aandelenuitgifte, althans deze niet te frustreren, zulks op straffe van verbeurte van een aan [gedaagde sub 1] te betalen dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat zij voornoemde medewerking niet verleent, althans de November Extra Aandelenuitgifte frustreert, tot een maximum van € 1,9 miljoen;
III. voor recht te verklaren dat [eiseres] op grond van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst géén recht heeft haar stortingsplicht ter zake de Extra Aandelenuitgifte en de Extra November Aandelengifte te verrekenen met het uitstaande bedrag onder de Vendor Loan;
IV. [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde sub 1] de schade te vergoeden die [gedaagde sub 1] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de SHA en/of haar onrechtmatig handelen, door betaling van schadevergoeding ter grootte van de samengestelde rente van (i) 10% over de hoofdsom van de eerste overbruggingslening (€ 1.704.068,-) en (ii) 10% over de hoofdsom van de tweede overbruggingslening (€ 1.883.750,-), te rekenen van 28 december 2022 tot en met de datum van de aflossing;
V. [eiseres] te veroordelen in de kosten van het geding en de gebruikelijke nakosten, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis worden voldaan, over deze (na)kosten wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van het vonnis.