Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1139, 11369669 UC EXPL 24-7140
Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1139, 11369669 UC EXPL 24-7140
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 19 maart 2025
- Datum publicatie
- 31 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1139
- Zaaknummer
- 11369669 UC EXPL 24-7140
Inhoudsindicatie
Onbinding huurovereenkomst en ontruiming woning wegens overlast door meerderjarig zoon van de huurster.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11369669 \ UC EXPL 24-7140 MS/1270
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
STICHTING WOONGROEN,
gevestigd te Zeist,
eisende partij,
hierna te noemen: Woongroen,
gemachtigde: mr. G.J. Scholten,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 1] of [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.G. Broekman.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 30 oktober 2024, dat wordt aangemerkt als een mondeling genomen conclusie van antwoord;
- de schriftelijke toelichting die de heer [A] (hierna: [A] ) namens [gedaagde] ten behoeve van de rolzitting van 30 oktober 2024 heeft opgesteld;- de mondelinge behandeling van 19 februari 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2 De kern van de zaak
[gedaagde] huurt een woning van Woongroen. Woongroen wil dat de huurovereenkomst wordt ontbonden omdat [gedaagde] haar hoofdverblijf niet in de woning houdt en haar meerderjarige zoon die in de woning verblijft veel overlast in de buurt veroorzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en wijst de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toe.
3 De voorgeschiedenis van de zaak
[gedaagde] huurt sinds 1 november 1992 een woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning of het gehuurde) van (de rechtsvoorgangers van) Woongroen. Woongroen en haar rechtsvoorgangers zullen hierna Woongroen worden genoemd. Op de huurovereenkomst is een huurreglement van toepassing.
Woongroen ontvangt al lange tijd klachten van omwonenden over overlast die wordt veroorzaakt door de meerderjarige zoon van [gedaagde] die in de woning verblijft, de heer [B] (hierna: [B] ).
Woongroen heeft 28 augustus 2023 een gesprek gevoerd met [gedaagde] en heeft de inhoud van dit gesprek in een brief van 4 september 2023 bevestigd. Woongroen schrijft in deze brief dat uit onderzoek is gebleken dat [gedaagde] al zeker de laatste drie jaar haar hoofdverblijf niet meer in de woning heeft en bij haar vriend [A] in [plaats 2] verblijft. Haar zoon verblijft in zijn eentje in de woning en valt negatief op in de wijk door zijn contacten met andere huurders van Woongroen. Woongroen heeft [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk op 1 december 2023 haar hoofdverblijf weer in de woning te hebben en te houden. Zij heeft [gedaagde] er daarbij op gewezen dat zij als huurster van de woning verantwoordelijk is voor het gedrag van alle personen die verblijven in de woning.
[gedaagde] heeft vanaf 1 december 2023 enige tijd in de woning verbleven. Zij heeft in april 2024 haar dijbeen gebroken en is na een verblijf in het ziekenhuis en een revalidatiecentrum weer bij [A] gaan wonen om daar te verder herstellen.
Woongroen heeft [gedaagde] in een e-mail van 15 mei 2024 meegedeeld dat zij nog steeds overlastmeldingen met betrekking tot de woning ontvangt. Zij heeft [gedaagde] geschreven dat de overlast per direct dient te stoppen en dat [gedaagde] haar hoofdverblijf weer in de woning moet hebben. [A] heeft Woongroen hierop in een e-mail van dezelfde dag laten weten dat het voor [gedaagde] niet mogelijk is om terug te keren naar haar woning.
Woongroen heeft [gedaagde] op 24 juni 2024 een e-mail met een vergelijkbare inhoud als de e-mail van 15 mei 2024 gestuurd. Daarbij heeft Woongroen [gedaagde] ontruiming van haar woning en ontbinding van de huurovereenkomst in het vooruitzicht gesteld als zij op 1 juli 2024 niet haar hoofdverblijf heeft in de woning of als er nog nieuwe overlastmeldingen komen. [A] heeft Woongroen in een e-mail van dezelfde dag meegedeeld dat [gedaagde] nog steeds niet naar haar woning kan terugkeren.
Woongroen heeft [gedaagde] op 17 juli 2024 een brief gestuurd waarin zij aankondigt dat zij een procedure bij de rechter zal starten omdat [gedaagde] niet aan de sommaties heeft voldaan. Woongroen heeft daaraan toegevoegd dat zij het graag van [gedaagde] verneemt als zij binnen zeven dagen bereid en in staat is haar hoofdverblijf weer in de woning te hebben. [A] heeft Woongroen in een brief van 18 juli 2024 meegedeeld dat een terugkeer naar de woning nog niet mogelijk is.