Home

Rechtbank Midden-Nederland, 23-04-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1760, C/16/560325 / HA ZA 23-472

Rechtbank Midden-Nederland, 23-04-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1760, C/16/560325 / HA ZA 23-472

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 april 2025
Datum publicatie
23 april 2025
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:1760
Formele relaties
Zaaknummer
C/16/560325 / HA ZA 23-472

Inhoudsindicatie

WAMCA-zaak. De Nederlandse Zorgautoriteit mocht in 2023 HoNOS+-gegevens over cliënten in de GGZ opvragen bij zorgaanbieders en deze verwerken ten behoeve van het zorgprestatiemodel. De gegevens zijn geen persoonsgegevens en zijn niet direct of indirect herleidbaar tot individuen. De NZa heeft niet in strijd met het recht (waaronder de AVG, de Grondwet en het EVRM) gehandeld tegenover de cliënten in de GGZ. De behandelaren schenden hun medisch beroepsgeheim niet door het verstrekken van de HoNOS+-gegevens aan de NZa.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472

Vonnis van 23 april 2025

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiseres sub 6],

wonende te Amsterdam,

7. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [eiseres sub 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. de stichting

STICHTING KOEPEL VAN DBC-VRIJE PRAKTIJKEN VAN PSYCHOTHERAPEUTEN EN PSYCHIATERS,

gevestigd te Amsterdam,

10. de stichting

STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,

gevestigd te Utrecht,

11. de stichting

STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,

gevestigd te Amsterdam,

eisers,

advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaten mr. M.M.C. van Graafeiland en mr. F.J.H van Tienen te Den Haag.

Eisers 1 tot en met 4 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende cliënten’. Eisers 5 tot en met 8 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende behandelaren’. Eisers 9 tot en met 11 worden samen ‘de belangenorganisaties’ genoemd. Afzonderlijk worden zij ‘Stichting DBC’, ‘Stichting LOC’ en ‘Stichting Platform Burgerrechten’ genoemd. Alle eisende partijen samen worden aangeduid als ‘eisers’. Gedaagde wordt ‘de NZa’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

In het tussenvonnis van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:4106) is geoordeeld dat de eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen. De behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren is opgeschort totdat de collectieve procedure, die de belangenorganisaties op grond van de WAMCA hebben aangespannen, in eerste aanleg is afgerond. De NZa heeft na het tussenvonnis een inhoudelijke conclusie van antwoord genomen. De belangenorganisaties hebben daarop bij akte gereageerd. In diezelfde akte hebben zij ook hun eis gewijzigd. Het betreft een verduidelijking van de vordering onder VII. Verder hebben de belangenorganisaties nog twee aktes met aanvullende producties 32 tot en met 41 ingediend. De NZa heeft ook een akte met aanvullende producties 30 tot en met 32 ingediend. Tot slot heeft de rechtbank op 7 januari 2025 het bericht ontvangen dat mevrouw [A] , oorspronkelijk eiseres sub 5, is overleden. Haar erfgenamen hebben verzocht om haar individuele vorderingen in te trekken. Daartegen is door de NZa geen bezwaar gemaakt. De rechtbank beschouwt deze vorderingen daarom als ingetrokken.

1.2.

Op 28 januari 2025 vond de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase van deze procedure plaats. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er verder is besproken.

1.3.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen allebei twee aktes genomen over de vernietiging van de verzamelde HoNOS+-gegevens en de back-ups daarvan.

1.4.

Tot slot is er vonnis bepaald.

2. De kern van de zaak

2.1.

In de inhoudelijke fase van de procedure moet worden geoordeeld of het opvragen van HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan door de NZa in strijd is met het recht. De feitelijke achtergrond van het geschil is weergegeven in hoofdstuk 3 van het tussenvonnis van 17 juli 2024. In rechtsoverweging 3.4 van dat tussenvonnis zijn ook de ingestelde vorderingen weergegeven, waarvan vordering VII nadien nog is gewijzigd door eisers en nu luidt als volgt: "de NZa te verbieden om aan beroepsbeoefenaren in de zin van artikel 88 Wet BIG een verplichting op te leggen om de in artikel 4.2 lid 4 Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg genoemde informatie-elementen te verstrekken aan de NZa, althans om deze informatie-elementen ten behoeve van zorgvraagtypering te verwerken."

2.2.

Kort gezegd moesten behandelaren in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) in 2023 eenmalig de antwoorden op zogenaamde HoNOS+-vragenlijsten over hun cliënten aanleveren bij de NZa. Dit is bepaald in artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg (NR/REG-2313a) zoals die gold vanaf 17 januari 2023 tot en met 31 december 2023 (hierna: de Regeling 2023). De HoNOS+-vragenlijst bevat negentien vragen over de sociale en psychische problematiek bij de cliënt. De behandelaar moet een score geven over de ernst van de problemen. De NZa heeft de antwoorden op deze vragen verwerkt in een algoritme dat kan voorzien in een zogenoemde zorgvraagtypering. De zorgvraagtypering is bedoeld om beter inzicht te geven in de zorgvraag en problematiek van de patiënt, zodat tot een betere inzet van zorg kan worden gekomen. De zorgvraagtypering is onderdeel van het zorgprestatiemodel. Het zorgprestatiemodel is het nieuwe bekostigingsstelsel voor de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg dat op 1 januari 2022 is ingevoerd door de Nederlandse wetgever.

2.3.

Eisers vinden dat de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens bevatten en dat het opvragen en verwerken daarvan door de NZa in strijd is met de artikelen 5 en 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook menen zij dat de NZa een ernstige inbreuk maakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van cliënten in de GGZ (artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: het EVRM, en artikel 10 van de Grondwet). Tegelijkertijd worden behandelaren in de GGZ gedwongen om hun medisch beroepsgeheim te overtreden. Eisers willen daarom – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Regeling 2023 in strijd is met hoger recht en onrechtmatig is tegenover alle cliënten in de GGZ en GGZ-beroepsbeoefenaren. Zij willen verder dat het de NZa wordt verboden om de HoNOS+-gegevens in de toekomst op te vragen en te verwerken. Zij vorderen ook een gebod voor de NZa om de opgevraagde en verwerkte gegevens te vernietigen. De NZa betwist dat zij handelt in strijd met het recht en bepleit afwijzing van de vorderingen.

3 De beoordeling van de vorderingen

4 De beslissing