Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2322, F.16/17/23
Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2322, F.16/17/23
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 mei 2025
- Datum publicatie
- 30 mei 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2322
- Zaaknummer
- F.16/17/23
Inhoudsindicatie
Beschikking rechter-commissaris. Curatoren willen een procedure starten voor een beperkte groep schuldeisers. Afwijzing procesmachtiging in verband met procesrisico en beperkt boedelbelang.
Uitspraak
Afdeling Toezicht
Locatie Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: F.16/17/23
Beschikking van 16 mei 2025
in de zaak van:
1. de heer
MR. HENDRIK DULACK,
kantoorhoudende te Utrecht,
en
2. de heer
MR. LOUIS LAURENCE DE BOEF,
kantoorhoudende te Veenendaal,
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de besloten vennootschap [onderneming] B.V.,
hierna te noemen: “Curatoren”,
advocaat: mr. R.J. van der Weijden te Amsterdam,
betrokkenen:
1. de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
statutair gevestigd te Amsterdam ,
hierna te noemen: “Rabobank”,
advocaten: mrs. E.R. Meerdink, M. Haentjens en E.C.L. van de Langerijt te Amsterdam,
2. de heer
[A] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: “ [A] ”,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van 25 november 2024, met een conceptdagvaarding,
- het bericht van Curatoren van 12 februari 2025, met een reactie van de zijde van Rabobank van 9 maart 2021,
- het bericht van Curatoren van 12 februari 2025, met producties 1 tot en met 28,
- de brief van 10 maart 2025 van Rabobank,
- de akte van [A] van 22 april 2025,
- de akte van Curatoren van 6 mei 2025,
- de akte van Rabobank van 6 mei 2025.
Het verzoek is op 11 maart 2025 ter zitting behandeld. Daarbij zijn verschenen:
van de zijde van Curatoren:
- de heer mr. H. Dulack, curator,
- de heer mr. L.L. de Boef, curator,
- de heer mr. R.J. van der Weijden, advocaat
- mevrouw mr. [B] , advocaat,
van de zijde van [A] :
- de heer [A] , (oud) CEO van [onderneming] ,
- de heer mr. F.A. van de Wakker, advocaat,
van de zijde van Rabobank:
- de heer mr. E. Meerdink, advocaat,
- mevrouw mr. E.C.L. van de Langerijt, advocaat,
- de heer [C] ,
- de heer mr. [D] ,
- de heer [E] .
2 De feiten
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2017 is het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap [onderneming] B.V. (hierna te noemen: “ [onderneming] ”). Daarbij werden de Curatoren aangesteld. Vanaf 3 februari 2021 is ondergetekende rechter-commissaris.
Curatoren hebben op 25 november 2024 gevraagd om een machtiging om een procedure te starten tegen Rabobank en [A] . Curatoren stellen dat schuldeisers schade hebben geleden doordat hun concurrente vordering op [onderneming] in het laatste jaar vóór het faillissement verder is opgelopen, terwijl Rabobank en [A] toen al geruime tijd moeten hebben geweten dat [onderneming] geen reëel toekomstperspectief meer had en dus naar alle waarschijnlijkheid failliet zou gaan. Deze schade hebben Curatoren begroot op een bedrag van € 2.407.675,05.
Curatoren hebben onderzoek gedaan naar de feiten die zich voorafgaand aan het faillissement van [onderneming] hebben voorgedaan. Daaruit is het volgende gebleken. De vorige eigenaar van [onderneming] en het vorige bestuur van [onderneming] hebben begin 2015 een adviesbureau ingeschakeld om haar te adviseren over een reddingsplan. De gesprekken tussen de vorige eigenaar en Rabobank over de financiering van dat reddingsplan zijn in april 2015 stukgelopen. Een aan Rabobank gelieerde entiteit heeft vervolgens de aandelen in [onderneming] voor één euro overgenomen, [A] werd tot nieuwe CEO benoemd en de raad van commissarissen van [onderneming] werd opgeheven. Rabobank heeft de kredietlimiet van [onderneming] onder meer in mei 2015 en in december 2015/januari 2016 opgerekt, zodat [onderneming] nog niet failliet ging. Tot slot heeft [onderneming] zich gedwongen gezien om surseance van betaling aan te vragen, kort na de verkoop van aan Rabobank verpande aandelen in haar Belgische dochters. Curatoren hebben onderzoek laten doen naar het verloop van de liquiditeiten van [onderneming] . Hieruit blijkt dat – zonder aanvullende financiering en reddingsplan – [onderneming] onvermijdelijk failliet zou gaan.
De schade die Curatoren willen vorderen is niet geleden door de gezamenlijke schuldeisers van [onderneming] , maar uitsluitend door een specifieke groep schuldeisers. Curatoren hebben onderkend dat zij daarom zelf geen vordering tegen Rabobank of [A] kunnen instellen. Omdat Curatoren vreesden dat de vorderingen zouden verjaren, hebben zij op 16 februari 2021 van de rechter-commissaris toestemming gekregen voor het aangaan van overeenkomsten met deze schuldeisers. Curatoren hebben de betreffende schuldeisers aangeboden om op basis van lastgeving voor hen op te komen jegens Rabobank en [A] . In totaal 118 concurrente schuldeisers hebben een overeenkomst van lastgeving gesloten met Curatoren. In deze overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
De Deelnemende Schuldeiser geeft hierbij aan Curatoren een last met privatieve werking zoals bedoeld in artikel 7:423 Burgerlijk Wetboek, welke last Curatoren aanvaarden om ten aanzien van de Vorderingen en alle daaraan verbonden (neven)rechten, in eigen naam en met uitsluiting van de Deelnemende Schuldeiser en derden, de verjaring te stuiten, een gerechtelijke procedure te beginnen, de incasso ter hand te nemen, een minnelijke regeling te treffen en verder ook al het andere te doen dat in het kader van de Schadeactie nodig of nuttig is volgens Curatoren, waaronder maar niet beperkt tot het in eigen naam ten behoeve van de Deelnemende Schuldeiser(s) (zowel individueel als gezamenlijk):
a. inschakelen van deskundigen, adviseurs en advocaten;
b. het uitvoeren van onderzoek naar de precieze aard en omvang van de schade;
c. het bepalen van een (proces)strategie en het voeren van schikkingsonderhandelingen; en
d. het treffen van een schikking met Rabobank en/of [A] (en/of hun verzekeraars).
De kosten van de Schadeactie (waaronder begrepen de voorafgaande en tussentijdse schikkingsonderhandelingen, het voeren van de gerechtelijke procedure, en het innen van de eventuele toegewezen schadevergoedingsvorderingen) bestaan onder meer uit kosten voor advocaten, adviseurs, deskundigen, de door Curatoren aan de Schadeactie bestede tijd, en eventuele kostenveroordelingen in de gerechtelijke procedure(s) (hierna de “Kosten”). De Kosten zullen vanuit de boedel van [onderneming] worden voorgeschoten.
De boedel treedt op als procesfinancier. De boedel maakt ter vergoeding van de daarmee gepaard gaande risico’s aanspraak op de volgende vergoeding:
Opbrengst tot € 1 miljoen: 25% van de Opbrengst
Opbrengst tussen € 1 miljoen en € 5 miljoen: 20% van de Opbrengst
Opbrengst meer dan € 5 miljoen: 15% van de Opbrengst
indien en voor zover het een btw-plichtige prestatie betreft te vermeerderen met btw, hierna de “Vergoeding”.
De Kosten en de Vergoeding worden achteraf in rekening gebracht bij de Deelnemende Schuldeisers en worden volledig betaald vanuit het bedrag dat door Rabobank en [A] (of hun verzekeraars) wordt betaald ter voldoening van Vorderingen die zien op de Schade (hierna de “Opbrengst”). Indien er door Curatoren geen Opbrengst voor een Deelnemende Schuldeiser is gerealiseerd, betaalt deze dus geen Kosten en Vergoeding en is hij ook overigens niets verschuldigd aan Curatoren en de boedel. De Kosten komen dan voor rekening van de boedel.
De Opbrengst wordt gestort op de bankrekening van de Stichting Beheer Derdengelden [.] (de “Stichting Derdengelden”). Deze stichting betaalt uit de Opbrengst eerst de Kosten en daarna de Vergoeding aan Curatoren. Na voldoening van de Kosten en de Vergoeding aan Curatoren wordt de resterende Opbrengst die is geïncasseerd door de Stichting Derdengelden zo snel mogelijk uitgekeerd aan de Deelnemende Schuldeisers in overeenstemming met hun aanspraken op die Opbrengst.
Curatoren hebben eerst namens de groep schuldeisers stuitingshandelingen verricht. Op 16 juni 2023 heeft de rechter-commissaris een procesmachtiging verleend, naar aanleiding van het volgende verzoek van Curatoren:
“Wij houden er rekening mee dat het nadere overleg niets oplevert en de dagvaarding moet worden betekend. De afwikkeling van deze zaak is ermee gebaat dat wij verder geen tijd verliezen. Daarom verzoeken wij u ons toestemming te geven om te dagvaarding te laten betekenen als na 1 juli 2023 blijkt dat een oplossing in der minne er niet in zit. Indien u in verband daarmee nog een nadere toelichting wenst, vernemen wij dat graag.”
Uit het verzoek waarop toestemming werd verleend, bleek dat Curatoren een vordering hebben willen instellen van € 5 miljoen. De stand van de boedel was op dat moment als volgt:
- Boedelactief € 5,6 miljoen
- Boedelvordering UWV € 5,7 miljoen
Ten tijde van het onderhavige verzoek, was de stand van de boedel als volgt:
- Saldo boedelrekening: € 4 miljoen
- Te betalen boedelkosten: € 6,6 miljoen, waarvan UWV: € 4,8 miljoen.
3 Het verzoek van Curatoren
Curatoren vragen een procesmachtiging om een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen Rabobank en [A] . Dit doen Curatoren voor een groep individuele schuldeisers.
Het enkele feit dat de totale door schuldeisers van [onderneming] geleden schade inmiddels lager blijkt dan in juni 2023 berekend, maakt wat Curatoren betreft niet dat de boedel van [onderneming] bij de procedure geen voldoende belang meer zou hebben. Ten eerste omdat het financiële belang vandaag de dag nog steeds substantieel is. In hoofdsom bedraagt de totale vordering € 2.407.675,05. Ten tweede is er een reële kans op succes. Ten derde geldt dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat beoogde procedure een zodanig lange doorlooptijd zal hebben dat de gezamenlijke schuldeisers van [onderneming] per saldo beter af zijn bij het weigeren van de gevraagde machtiging. Het concept van de dagvaarding is (zo goed als) klaar en het verrichte deskundigenonderzoek is afgerond. De duur van de procedure kan aanzienlijk wordt verkort indien de rechter-commissaris besluit tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Ten vierde geldt dat een in de beoogde procedure toegewezen bedrag in de eerste plaats zal worden gebruikt om de door de boedel in het kader van die procedure voorgeschoten kosten te dekken en de boedel een succesvergoeding te betalen. Op basis van de huidige stand van de boedel, zullen de preferente (en concurrente) boedelschuldeisers, niet-zijnde de Curatoren, daarvan profiteren. Ten vijfde biedt de boedel van [onderneming] voldoende dekking voor de kosten van de procedure alsmede een eventuele kostenveroordeling.