Rechtbank Midden-Nederland, 27-05-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2643, C/16/592980 / FT RK 25/441
Rechtbank Midden-Nederland, 27-05-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2643, C/16/592980 / FT RK 25/441
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 27 mei 2025
- Datum publicatie
- 2 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2643
- Zaaknummer
- C/16/592980 / FT RK 25/441
Inhoudsindicatie
Afwijzing faillissementsrekest artikel 6 Fw. Cessie pluraliteit.
Uitspraak
Locatie Utrecht
rekestnummer: C/16/592980 / FT RK 25/441
Beschikking op grond van artikel 1 Fw (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 27 mei 2025
in de zaak van
de heer
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. J.B.A.M.E. Leushuis,
hierna: [verzoeker]
tegen
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V. ,
ingeschreven bij de KvK onder nummer [KvK nummer] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat mr. C. van der Mark,
Hierna: [verweerster]
1 De procedure
Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld tijdens een zitting achter gesloten deuren van deze rechtbank van 27 mei 2025.
Ter zitting zijn verschenen:
- -
-
Mr. R.E. Jonen, advocaat van [verzoeker] ,
- -
-
Mr. J.B.A.M.E. Leushuis, advocaat van [verzoeker] ,
- -
-
de heer [A] , namens [onderneming] B.V.,
- -
-
Mr. C. van der Mark, advocaat verweerster,
- -
-
de heer [B] , bestuurder van verweerster.
2 De beoordeling
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij – op 12 juli 2024 – een opeisbaar bedrag van € 10.396,76 te vorderen heeft van [verweerster] uit hoofde van een beschikking van 21 juni 2024 wegens onregelmatige opzegging van het dienstverband, de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 2.250,- en wettelijke verhoging. Daarnaast laat [verweerster] in ieder geval de schuld aan [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) uit hoofde van een vonnis van 23 oktober 2024 onbetaald. [onderneming] heeft haar vordering op [verweerster] gesplitst en een deel van € 9.000,- gecedeerd aan [verzoeker] . Voorafgaand aan de behandeling van het faillissementsrekest is mededeling van deze cessie gedaan aan [verweerster] .
[verweerster] stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] geen (loon)vordering meer op haar heeft, nu deze vordering voorafgaand aan de zitting is voldaan. Daarnaast heeft [verweerster] een deel van de (steun)vordering van [onderneming] voldaan. Over de cessie van een deel van de vordering van [onderneming] aan [verzoeker] voert [verweerster] aan dat de cessie haar onbekend is en dat er sprake is van misbruik van recht.
Partijen zijn het erover eens dat de oorspronkelijke vordering van [verzoeker] , zoals die is opgenomen in het verzoekschrift, door [verweerster] is voldaan.
De vervolgvraag is of het faillissement van [verweerster] kan worden uitgesproken omdat [verzoeker] een vordering op [verweerster] heeft verkregen na cessie van (een gedeelte van) de vordering van [onderneming] . De rechtbank stelt in dat verband allereerst vast dat het splitsen van de vordering van [onderneming] gevolgd door cessie van (het afgesplitste deel van) de vordering van € 9.000,- aan [verzoeker] , tot gevolg heeft dat [verweerster] meerdere schuldeisers onbetaald laat. Het maakt voor het aannemen van pluraliteit van schuldeisers niet uit dat de vordering voortvloeit uit één rechtsverhouding, namelijk die tussen [onderneming] en [verweerster] (vgl. HR 10 juni 1988, NJ 1988/845 en Rechtbank Midden-Nederland 5 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:7379).
De rechtbank zal het faillissement van [verweerster] echter niet uitspreken, omdat [verzoeker] misbruik van recht maakt, om de navolgende redenen. Namens [verzoeker] is ter zitting naar voren gebracht dat de splitsing en cessie van de vordering van [onderneming] heeft plaatsgevonden om betaling van [verweerster] af te dwingen. De vordering waarvoor [verzoeker] het faillissement van [verweerster] heeft aangevraagd, was door [verweerster] echter al volledig voldaan. Dit is tijdens de behandeling van het verzoek ook door de advocaat van [verzoeker] bevestigd. De vordering van [onderneming] is wél (deels) onbetaald gebleven, maar voor die vordering is het faillissementsverzoek niet ingediend. Evenmin heeft [verzoeker] aannemelijk gemaakt dat er een zakelijke of andere grondslag voor de cessie bestond. Daar komt bij dat de cessie op of rondom de dag van de behandeling van de faillissementsaanvraag heeft plaatsgevonden. Bovendien is de vereiste mededeling van de cessie in de minuten voorafgaand aan de mondelinge behandeling op de gang van de rechtbank aan [verweerster] gedaan. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat de cessie alleen heeft plaatsgevonden om de voor faillissement noodzakelijke pluraliteit van schuldeisers te creëren. Onder dergelijke omstandigheden komt aan [verzoeker] als verzoeker niet de bevoegdheid toe om het faillissement van haar schuldenaar [verweerster] aan te vragen, omdat hij die bevoegdheid misbruikt. Het verzoek tot faillietverklaring moet daarom worden afgewezen.
Nu [verweerster] óók kort voorafgaand aan de behandeling de oorspronkelijke vordering van [verzoeker] heeft voldaan, zal de rechtbank [verzoeker] niet in de kosten van deze procedure veroordelen.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.1