Rechtbank Midden-Nederland, 05-02-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:265, 11084474 UC EXPL 24-2969
Rechtbank Midden-Nederland, 05-02-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:265, 11084474 UC EXPL 24-2969
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 5 februari 2025
- Datum publicatie
- 21 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:265
- Zaaknummer
- 11084474 UC EXPL 24-2969
Inhoudsindicatie
Het standaardkarakter van de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen verzet zich niet tegen de toekenning van een persoonlijke toeslag op het loon van de werknemer na een overgang van onderneming. De afbouw van de persoonlijke toeslag met verhogingen van het cao-loon is rechtsgeldig.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11084474 \ UC EXPL 24-2969 MS/1270
Vonnis van 5 februari 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.P. Jhanjhan (ARAG),
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B.I. van Vugt.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de conclusie van antwoord met producties;
- de aanvullende productie van [gedaagde] ;
- de aanvullende producties van [eiser] ;- de mondelinge behandeling van 16 januari 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de pleitnota van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of het standaardkarakter van de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen zich verzet tegen de toekenning van een persoonlijke toeslag op het loon van [eiser] na een overgang van onderneming en of de afbouw van de persoonlijke toeslag met verhogingen van het cao-loon in strijd is met artikel 7:663 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Europese richtlijn 2001/231. De kantonrechter oordeelt dat de toekenning van de persoonlijke toeslag en de afbouw ervan rechtsgeldig zijn en wijst de vordering van [eiser] tot - onder meer - nabetaling van de volledige persoonlijke toeslag af.
3 De achtergrond van de zaak
[eiser] is met ingang van 9 maart 1998 als [functie] in dienst getreden bij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Op de arbeidsovereenkomst was geen cao van toepassing.
Per 1 januari 2014 is [eiser] als gevolg van een overgang van onderneming bij [gedaagde] in dienst getreden. De activiteiten van [gedaagde] vallen onder de werkingssfeer van de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna ook: de cao voor het Beroepsgoederenvervoer). Dit is een standaard cao. [gedaagde] en [eiser] waren aan deze cao gebonden - en zijn dit nog steeds - uit hoofde van hun lidmaatschap van een werkgevers-/werknemersvereniging die de cao heeft gesloten. De cao is bovendien door de jaren heen in veel tijdvakken algemeen verbindend verklaard.
[gedaagde] heeft per 1 januari 2014 een nieuwe arbeidsovereenkomst met [eiser] gesloten. In deze arbeidsovereenkomst is de cao Goederenvervoer Nederland (de kantonrechter gaat ervan uit dat is bedoeld: de cao voor het Beroepsgoederenvervoer) op de overeenkomst van toepassing verklaard. [gedaagde] heeft [eiser] ingeschaald in de loonschaal die in de cao voor zijn functie is voorgeschreven. Het loon dat bij deze loonschaal hoorde was lager dan het salaris dat [eiser] bij [bedrijf 1] ontving. [gedaagde] heeft daarom in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat [eiser] een persoonlijke toeslag van € 699,47 bruto per vier weken ontvangt die wordt afgebouwd met elke initiële en tredeverhoging.
Met ingang van 1 januari 2019 heeft er opnieuw een overgang van onderneming plaatsgevonden en is [eiser] in dienst getreden bij [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Dit is een transportonderneming die ook tot de [gedaagde] groep behoort. [bedrijf 2] heeft met ingang van deze datum een nieuwe arbeidsovereenkomst met [eiser] gesloten, waarbij de cao voor het Beroepsgoederenvervoer weer van toepassing is verklaard en aan [eiser] een persoonlijke toeslag is toegekend, die op dat moment nog € 372,09 bruto per maand bedroeg. Daarbij is ook weer een afbouwregeling overeengekomen.
Met ingang van 1 januari 2022 is [eiser] als gevolg van een overgang van onderneming weer in dienst getreden bij [gedaagde] .
De persoonlijke toeslag van [eiser] is in de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2023 afgebouwd met de verhogingen van het cao-loon.
Een collega van [eiser] , die in vergelijkbare omstandigheden verkeerde, heeft tegen [bedrijf 2] een procedure aanhangig gemaakt waarbij hij het standpunt heeft ingenomen dat de afbouw van de persoonlijke toeslag in strijd is met zijn rechten bij overgang van onderneming.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft deze collega in het gelijk gesteld.2 [bedrijf 2] heeft tegen de uitspaak van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). Het hof heeft bij arrest van 7 februari 20233 geoordeeld dat de persoonlijke toeslag niet in strijd is met het standaardkarakter van de cao, maar dat de afbouw van de persoonlijke toeslag in strijd is met artikel 7:663 BW en de richtlijn 2001/23. Het hof heeft voor recht verklaard dat de persoonlijke toeslag van deze collega vanaf 1 januari 2014 tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vast bedrag is en heeft [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling van de achterstallige persoonlijke toeslag.
[eiser] heeft naar aanleiding van dit arrest bij [gedaagde] een vordering ingediend tot nabetaling van zijn volledige persoonlijke toeslag. [gedaagde] is hier echter niet toe overgegaan.