Home

Rechtbank Midden-Nederland, 05-06-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2742, C/16/589845 / KG ZA 25-87

Rechtbank Midden-Nederland, 05-06-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2742, C/16/589845 / KG ZA 25-87

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
5 juni 2025
Datum publicatie
24 juni 2025
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:2742
Zaaknummer
C/16/589845 / KG ZA 25-87

Inhoudsindicatie

Didam-zaak Het Waterschap heeft terecht gesteld dat er slechts één serieuze gegadigde is voor een door haar te huur aangeboden perceel water. De door haar gehanteerde selectiecriteria in dit verband zijn objectief, toetsbaar en redelijk en de beslissing is tevens voldoende gemotiveerd. Het voornemen tot verhuur van het Waterperceel is echter niet tijdig voorafgaand aan de verhuur op een zodanige wijze bekend gemaakt dat eenieder daarvan kennis kon nemen. Op dit punt handelt het Waterschap in strijd met de Didam-regels en daarmee onrechtmatig jegens eiseres.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/589845 / KG ZA 25-87

Vonnis in kort geding van 5 juni 2025

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. N.A.E. Niels en mr. E.A. van der Zwaag-Holtland,

tegen

WATERSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde partij,

advocaat: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen en mr. S.C. Kniestedt.

Partijen zullen hierna [eiseres] en het Waterschap genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 maart 2025;- de conclusie van antwoord met producties;- de pleitnota van [eiseres] .

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 15 mei 2025. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] aanwezig de heer [A] , directeur van [eiseres] , samen met mr. Niels en mr. Van der Zwaag-Holtland. Namens het Waterschap waren aanwezig de heer [B] , adviseur grondzaken bij het Waterschap, mevrouw [C] , adviseur juridische zaken bij het Waterschap, samen met mr. Wijk-Driessen en mr. Kniestedt. Door en namens partijen zijn de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Daarna volgt dit vonnis.

2 De kern

2.1.

[eiseres] kan zich niet verenigen met de voorgenomen verhuur van een perceel water door het Waterschap. Volgens [eiseres] heeft het Waterschap ten onrechte gesteld dat er slechts één serieuze gegadigde voor de huur van het perceel water is nu zij ook een belang bij de huur van het betreffende perceel heeft en daarmee een serieuze gegadigde is.

2.2.

[eiseres] is van mening dat het Waterschap conform de Didam-arresten van de Hoge Raad een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria had moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door het Waterschap te huur aangeboden perceel water. Nu zij dat niet heeft gedaan handelt het Waterschap volgens [eiseres] in strijd met artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Zij vordert daarom een verbod tot verhuur zonder dat het Waterschap eerst een dergelijke openbare selectieprocedure doorloopt. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.

3 De achtergrond

3.1.

Het Waterschap is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente

[gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummer] (hierna: het Waterperceel). [D] is eigenaar van

de woonboot ' [naam] ' (hierna: de Woonboot).

3.2.

Tussen het Waterschap en [D] bestaat een huurovereenkomst voor

een deel van een perceel water (hierna: `de Huurovereenkomst') gelegen ter hoogte van

de [adres 1] . In de Huurovereenkomst is voor het Waterschap een inspanningsverplichting opgenomen om een alternatieve locatie aan te bieden wanneer de Huurovereenkomst wordt opgezegd. In dit kader is artikel 5 lid 2 aanhef en sub g van de Huurovereenkomst relevant en luidt als volgt:

"Verhuurder kan deze overeenkomst tussentijds door opzegging doen eindigen,

indien

(...)g. vanwege het algemeen belang, het belang van waterkwaliteit en waterbeheer,

van verhuurder redelijkerwijs niet langer verlangd kan worden dat de

huurovereenkomst op de gecontracteerde locatie wordt voortgezet. Verhuurder

neemt in dit geval een opzegtermijn van twaalf maanden in acht en heeft een

inspanningsverplichting om een alternatieve locatie aan te bieden van ongeveer

hetzelfde kwaliteitsniveau. Verhuurder kan er uitdrukkelijk niet voor instaan dat de

vervangende locatie geen nadelen kent in vergelijking met het oorspronkelijke

gehuurde;"

3.3.

Tussen [D] en de eigenaar van het (oever)perceel aan de [adres 1] te [plaats] bestaat ook een huurovereenkomst. In deze overeenkomst is opgenomen dat [D] de Woonboot via het betreffende oeverperceel kan bereiken. De eigenaar van het oeverperceel heeft te kennen gegeven de huurovereenkomst niet te verlengen, waardoor

[D] na afloop van deze huurovereenkomst zijn Woonboot niet meer kan bereiken.

3.4.

In 2021 heeft [D] het oeverperceel ter hoogte van de [adres 2] in [plaats] grenzende aan het Waterperceel gekocht. Het Waterschap is voornemens om een deel van het Waterperceel te verhuren aan [D] .

3.5.

Op 9 december 2024 heeft het Waterschap het voornemen tot verhuur van

een deel van het Waterperceel aan [D] gepubliceerd in het

`Waterschapsblad van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht'

(hierna: de Publicatie). De Publicatie luidt als volgt:

"Publicatie voornemen tot verhuur van een deel van de Vecht voor een

woonschipligplaats.

Met deze publicatie geeft het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht uitvoering aan het

arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778).

Objectinformatie

Locatie: [adres 2] , [postcode] [plaats]

Perceel: [plaats] , sectie [letter] , nummer [nummer] gedeeltelijk (hierna: "het perceel").

Voornemen tot aangaan van een verhuurovereenkomst.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is voornemens om ca. 150 m2 water te

verhuren als ligplaats (verder aan te duiden als "het perceel") voor het woonschip

genaamd " [naam] ". Het woonschip komt van een "Restauratieplan Vecht" (RPV)

knelpuntlocatie aan de [adres 1] te [plaats] . In verband met de

nadere uitvoering van het RPV diende het woonschip verplaatst te worden. Vanuit de bestaande huurovereenkomst heeft het waterschap een inspanningsverplichting

om een alternatieve locatie aan te bieden als de bestemming wijzigt. Voor de

verplaatsing van het woonschip heeft de gemeente Stichtse vecht een

Omgevingsvergunning verleend met zaaknummer [nummer] voor de nieuwe

locatie. De eigenaar van het woonschip " [naam] " is eigenaar van de grond

grenzend aan de nieuwe locatie.

Het Waterschap hecht er belang bij om de waterkwaliteit en ecologie niet verder

achteruit te laten gaan en hecht eraan dat er niet meer woonschepenligplaatsen bij

komen op de Vecht dan uitgewerkt is in het omgevingsplan. Door het opheffen van

de ligplaats aan de [adres 1] blijft het aantal ligplaatsen gelijk. Het

perceel van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is te bereiken via het perceel

van de beoogde huurder van de ligplaats, de eigenaar van de " [naam] ".

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht meent dat de eigenaar van de " [naam] ",

gezien voornoemde omstandigheden en de ligging van het perceel, de enige

serieuze gegadigde is die in aanmerking komt voor de (beoogde) huur van het

perceel.

Gelet op vorenstaande overwegingen zijn wij van oordeel dat de verhuur kan

plaatsvinden zonder bredere selectieprocedure. Volstaan wordt met deze

voorafgaande bekendmaking.

Indien u zich niet kunt verenigen met dit voornemen, dan dient u dit uiterlijk

20 kalenderdagen, ingaande de dag na deze publicatie, kenbaar te maken (...)."

3.6.

Onder andere bij brief van 24 december 2024 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van het Waterschap om het Waterperceel aan [D] te verhuren. Het Waterschap heeft bij brief van 20 januari 2025 toegelicht bij haar standpunt te blijven en verwijst naar de eerdere correspondentie tussen partijen hierover.

Standpunt en vordering van [eiseres]

3.7.

Na kennisneming van het bericht van het Waterschap van 20 januari 2025 is [eiseres] van mening dat het Waterschap ten onrechte stelt dat [D] als enige serieuze gegadigde voor het Waterperceel kan worden aangemerkt. Volgens [eiseres] had het Waterschap op grond van de zogenaamde Didam-regels een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door het Waterschap te huur aangeboden Waterperceel. Nu zij dat heeft nagelaten heeft het Waterschap volgens [eiseres] er onvoldoende blijk van gegeven dat zij de belangen van derden, waaronder die van [eiseres] , heeft betrokken bij haar besluit tot verhuur van het Waterperceel. Dit is volgens [eiseres] in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

3.8.

Volgens [eiseres] heeft zij tevens belang bij huur van het Waterperceel. Zij wenst een groter woonschip aan te leggen dan haar huidige en daar is de huur van het Waterperceel voor nodig. Verder is het Waterperceel binnen de hindercontouren van het bedrijf van [eiseres] gelegen en stelt zij ook om die reden belang bij huur van het Waterperceel te hebben. Bij verhuur van het Waterperceel aan een derde is het volgens [eiseres] niet ondenkbaar dat zij gezien voormelde ligging ernstig in haar bedrijfsactiviteit wordt belemmerd. [eiseres] wijst er op dat het Waterschap ten onrechte van mening is dat zij het minimum aantal ligplaatsen alleen kan handhaven door het Waterperceel aan [D] te verhuren omdat ook bij verhuur aan [eiseres] het aantal ligplaatsen gelijk zal blijven.

3.9.

Gezien het voorgaande vordert [eiseres] – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Waterschap veroordeelt:

Primair

 te verbieden het Waterperceel te verhuren zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen;

Subsidiair

 te verbieden, in het geval van ondertekening, uitvoering te geven aan de huurovereenkomst met [D] met betrekking tot het Waterperceel tot het moment dat een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria is doorlopen, waarmee een huurder voor het Waterperceel wordt geselecteerd;

Meer subsidiair

 tot iedere andere maatregel in goede justitie te bepalen, waarbij de belangen van [eiseres] als gegadigde voor het Waterperceel worden verzekerd;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair

 tot betaling van de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt en verweer van het Waterschap

3.10.

Onder wijzing naar de door de Hoge Raad gewezen Didam-arresten stelt het Waterschap zich – kort gezegd – op het standpunt dat de zogenaamde Didam-regels uit voormelde arresten het mogelijk maken om één-op-één te contracteren, indien redelijkerwijs te verwachten is dat er maar één serieuze gegadigde is. Uit die arresten volgt ook dat aan het Waterschap beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de (kring van) gegadigden die voor het Waterperceel in aanmerking komen.

3.11.

Het Waterschap heeft uiteengezet dat zij voor de verhuur van het Waterperceel de volgende selectiecriteria heeft gehanteerd:

-

door de verhuur wordt een knelpunt (als is bedoeld in het convenant restauratieplan Vecht) opgelost;

-

door de verhuur wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid (in lijn met het geldende bestemmingsplan en in het bezit van een omgevingsvergunning voor de betreffende locatie); en

-

door de verhuur wordt voldaan aan een op het Waterschap rustende inspanningsverplichting tot het aanbieden van een alternatieve locatie.

3.12.

Volgens het Waterschap heeft zij op basis van voormelde selectiecriteria op goede gronden de conclusie mogen trekken dat [D] als enige serieuze gegadigde voor huur van het Waterperceel in aanmerking komt. Zij concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten met rente.

4 De beoordeling

5 De beslissing