Rechtbank Midden-Nederland, 12-06-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2844, FT RK 25-455
Rechtbank Midden-Nederland, 12-06-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2844, FT RK 25-455
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 12 juni 2025
- Datum publicatie
- 15 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2844
- Zaaknummer
- FT RK 25-455
Inhoudsindicatie
WHOA. Homologatie akkoord toegewezen. Overwegingen over verlengen stemtermijn en kwalificatie gelieerde partijen als MKB-schuldeisers.
Uitspraak
vonnis
Afdeling Toezicht – meervoudige kamer
Vonnis op grond van artikel 383 Faillissementswet (Fw)
rekestnummer: FT RK 25-455
uitspraakdatum: 12 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
statutair gevestigd te [.] ,
verzoekster,
hierna te noemen: “ [verzoekster] ”,
advocaten: mr. C.L.P.J. Crombag, mr. D. Klein Velderman en mr. M. Zentveldt te Amersfoort.
1 Inleiding
In deze uitspraak wordt het door [verzoekster] aangeboden akkoord gehomologeerd (goedgekeurd). De schuldeisers zijn op de juiste wijze geïnformeerd over het akkoord en de procedure, ondanks enkele onregelmatigheden. Hoewel de stemtermijn eenzijdig en in principe onterecht is verlengd, zijn de belangen van de schuldeisers hierdoor niet geschaad. De later ontvangen stemmen van de Nederlandse en Duitse Belastingdienst werden hierdoor meegenomen, wat leidde tot instemming in alle klassen. De rechtbank oordeelt dat, gezien de omstandigheden en het uitblijven van protest van andere schuldeisers, het niet nodig was een observator te benoemen. Er is ook geen sprake van benadeling van schuldeisers door deze verlenging.
Daarnaast heeft de rechtbank enkele tekortkomingen in de informatievoorziening en klassenindeling vastgesteld. De keuze voor de peildatum van 10 oktober 2024 was niet objectief onderbouwd en de informatie over betalingen aan gelieerde partijen na die datum was onvolledig. Ook werd een aandeelhouder onterecht in de MKB-klasse geplaatst. Deze fouten hebben de uitkomst van de stemming echter niet beïnvloed en zijn deels gecorrigeerd. De rechtbank concludeert dat de nakoming van het akkoord, mede door een kapitaalstorting en een toegezegde kredietfaciliteit van de aandeelhouder, voldoende is gewaarborgd. Omdat er geen andere weigeringsgronden zijn, wordt het homologatieverzoek goedgekeurd.
2 De procedure
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de startverklaring, gedeponeerd ter griffie op 11 oktober 2024,
- het stemverslag, gedeponeerd ter griffie op 13 mei 2025,
- het verzoekschrift van 12 mei 2025,
- de beschikking van 19 mei 2025,
- de brief van [verzoekster] van 22 mei 2025,
- de brief van [verzoekster] van 28 mei 2025,
- de aanvullende stukken van [verzoekster] van 6 juni 2025,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [verzoekster] .
De rechtbank heeft op 25 mei 2025 aangekondigd op welke onderwerpen zij nader wenst te worden voorgelicht. Het verzoek is op 4 juni 2025 middels een videoverbinding behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- [A] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,
- mr. C.L.P.J. Crombag, advocaat,
- mr. D. Klein Velderman, advocaat,
- mr. M. Zentveldt, advocaat,
- [B] , [onderneming 1] ,
- [C] , [onderneming 1] ,
- [D] , [onderneming 1] ,
- mr. [E] , gemachtigde, namens [onderneming 2] B.V.
Aangezien het akkoord is aangeboden in het kader van een openbare akkoordprocedure heeft de rechtbank verzoekster erop gewezen dat zij ingevolge artikel 370 lid 4 Fw de griffier van de rechtbank Den Haag onverwijld dient te verzoeken in de registers, bedoeld in de artikelen 19 en 19a Fw, en in de Staatscourant melding te maken van de gegevens, bedoeld in artikel 24 IVO1. Op 30 mei 2025 heeft publicatie in het WHOA-register plaatsgevonden.
3 De feiten
[verzoekster] is een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop van speelgoed. [verzoekster] richt zich zowel op de consumentenmarkt als op de
zakelijke markt, met name kinderdagverblijven.
[verzoekster] begon in 2012 als een speelgoedwinkel in [plaats 1] en een online winkel. Vervolgens zijn winkels geopend in [plaats 2] (2019), [plaats 3] (2020) en [plaats 4] (2021). Naast de verkoop via haar eigen platformen verkoopt [verzoekster] haar producten ook via diverse online marktplaatsen. Per 1 januari 2024 zijn de winkels in [plaats 3] en [plaats 2] via een activa transactie verkocht aan de besloten vennootschap [onderneming 3] B.V. (“ [onderneming 3] ”)
Bestuurder en aandeelhouder van [verzoekster] is de besloten vennootschap [onderneming 4] B.V. (“ [onderneming 4] ”). Deze vennootschap wordt bestuurd door de heer [A] . Bij [verzoekster] zijn 13 FTE werkzaam. [verzoekster] maakt deel uit van een groep van vennootschappen:

[verzoekster] werd aanvankelijk gefinancierd door [onderneming 3] , de besloten vennootschap [onderneming 10] B.V. en [onderneming 4] . Deze financiering is in 2022 overgenomen door [onderneming 4] . Zij heeft een achtergestelde geldlening verstrekt aan [verzoekster] van ongeveer € 3,8 miljoen. Daarnaast heeft [verzoekster] door middel van crowdfunding financiering gekregen voor de overname van de winkels in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] (€ 173.000). [verzoekster] heeft een langlopende verplichting aan de Nederlandse Belastingdienst en buitenlandse Belastingdiensten van ongeveer € 800.000 en een geldlening van de heer [F] (€ 50.000). [verzoekster] heeft tot slot een beperkte kredietfaciliteit bij Rabobank.
Financiële situatie
[verzoekster] had vlak voor de coronapandemie de fysieke speelgoedwinkels in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] gekocht. Deze winkels kregen tijdens de coronapandemie te maken met verplichte winkelsluitingen waardoor de omzet achterbleef. Voor de coronapandemie was de brutomarge stabiel op ongeveer 46%. Gedurende de coronapandemie gingen online marktplaatsen hogere kosten in rekening brengen. De online verkopen hebben hierdoor plaatsgevonden tegen lagere marges. [verzoekster] heeft vervolgens moeten investeren in technologie om de online verkoopkanalen efficiënt te beheren en de noodzakelijke marge te kunnen realiseren. [verzoekster] kon geen aanspraak maken op coronaregelingen, zoals NOW en TVL. [verzoekster] heeft te maken gekregen met stijgende kosten van energie, huur en personeel. Dit heeft de financiële druk op [verzoekster] verder verhoogd. Daarnaast blijft de omzet achter op verwachtingen als gevolg van lagere consumentenbestedingen. De combinatie van voormelde omstandigheden heeft gezorgd voor een oplopende schuldenlast en grote liquiditeitsdruk.
[verzoekster] heeft verschillende maatregelen genomen om haar onderneming te herstructureren. Het pand in [plaats 1] is verkocht in 2022. De winkels in [plaats 2] en [plaats 3] zijn verkocht. [verzoekster] heeft haar operationele efficiëntie verbeterd, waardoor de winstgevendheid op online verkopen is verhoogd. [verzoekster] heeft haar voorraden aanzienlijk verlaagd (van € 1,5 miljoen in 2022 naar € 590.000 in 2024) en de omloopsnelheid van haar voorraden verbeterd (van 100 dagen in 2022 naar 63 dagen in 2023). Het aantal leveranciers is omlaag gebracht van 140 naar ongeveer 40. De openingstijden van de winkels zijn aangepast, in lijn met het veranderde koopgedrag van de consument. Het personeelsbestand kon met 11 FTE worden teruggebracht. Dit heeft geleid tot een kostenbesparing van € 710.000 per jaar. Vanaf maart 2025 heeft [verzoekster] ook de winkel in [plaats 4] gesloten. Ten tijde van de behandeling van het onderhavige homologatieverzoek had [verzoekster] nog één fysieke locatie. Op deze locatie is een speelgoedwinkel gevestigd voor particulieren en een ‘showroom’ voor de verkoop aan de zakelijke markt (kinderdagverblijven).
[verzoekster] is niet in staat de opgebouwde schuldenpositie (belastingachterstanden, schuld aan [onderneming 4] , crowdfunding en achterstanden bij crediteuren) af te lossen. De aan deze schulden verbonden verplichtingen zorgen ervoor dat er liquiditeitstekorten zullen ontstaan, oplopend tot ruim € 1,8 miljoen in oktober 2026.
Waardering
De liquidatiewaarde van [verzoekster] is berekend op een bedrag van € 105.000. Hierbij is uitgegaan van een uitverkoop in faillissement met een verwachte duur van ongeveer zes weken. In het taxatierapport2 heeft de taxateur vermeld dat de voorraad wordt opgeslagen in een magazijn van de besloten vennootschap [onderneming 11] B.V. (“ [onderneming 11] ”). De bestuurder heeft ter plaatse aangegeven welk gedeelte van de voorraad aan [onderneming 11] en aan [verzoekster] toebehoort. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat de voorraden administratief en fysiek gescheiden zijn.
[onderneming 1] heeft een reorganisatiewaarde van [verzoekster] berekend (DCF-methode). De waardering heeft plaatsgevonden per 30 september 2024. De reorganisatiewaarde is berekend op € 1.008.000. De waardering gaat uit van een vrije kasstroom over de periode vanaf het waarderingsmoment tot en met 2027 van achtereenvolgens € 5.000, € 60.000, € 217.000 en € 187.000. De groei over de restperiode is 2%. De cashflow zal in werkelijkheid lager uitvallen. De EBITDA 2024 is uitgekomen op € 571.000 negatief ten opzichte van een geprognosticeerde EBITDA van € 166.000 negatief.