Home

Rechtbank Midden-Nederland, 27-08-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4824, C/16/523693 / HL ZA 21-178

Rechtbank Midden-Nederland, 27-08-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4824, C/16/523693 / HL ZA 21-178

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27 augustus 2025
Datum publicatie
11 september 2025
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:4824
Zaaknummer
C/16/523693 / HL ZA 21-178

Inhoudsindicatie

Eiser vordert terugbetaling van een geldbedrag van een apotheek. De procedure is vanwege het faillissement van de apotheek geschorst (artikel 29 Fw). Tijdens de verificatievergadering is de vordering van eiser betwist door een mede schuldeiser. De procedure is voortgezet waarbij de mede schuldeiser als procespartij in de plaats is getreden van de apotheek. Een deel van de betaling aan de apotheek is een voorwaardelijke geldleningsovereenkomst. De voorwaarde waartegen de betaling is verricht is niet vervuld. Daarom moet dat bedrag aan eiser worden terugbetaald. Een ander deel van de betaling aan de apotheek is een onvoorwaardelijke geldlening. Ook dat bedrag moet worden terugbetaald. Die vorderingen in het faillissement van de apotheek worden erkend.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/523693 / HL ZA 21-178

Vonnis van 27 augustus 2025

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. J. Duijzings te Zeist,

tegen

aanvankelijk:

[onderneming 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna te noemen: de apotheek

gedaagde,

thans:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. G. Boot te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft met de procesinleiding van 27 maart 2019 een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen de apotheek. Op 28 mei 2019 is de apotheek in staat van faillissement verklaard. Vanwege de faillietverklaring is de procedure op grond van artikel 29 Faillissementswet (hierna: Fw) geschorst.

1.2.

[eiseres] heeft haar vorderingen in het faillissement van de apotheek ter verificatie ingediend. Op 18 juni 2024 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden. Tijdens de verificatievergadering heeft [gedaagde] twee vorderingen van [eiseres] betwist. Omdat voor de betwiste vorderingen al een procedure bij deze rechtbank aanhangig was, is die procedure voortgezet. Daarbij is [gedaagde] op grond van artikel 29 Fw als procespartij in de plaats getreden van de apotheek.

1.3.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de conclusie van antwoord met producties 0 tot en met 14;

- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;

- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 februari 2025;

- het e-mailbericht van 15 augustus 2018 dat mr. Duijzings tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank en mr. Boot heeft overhandigd; en

- de akte van 19 februari 2025 van [gedaagde] .

1.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025. De heer [A] (enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] , hierna: [A] ) is verschenen en hij is bijgestaan door mr. Duijzings. [gedaagde] is niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door mr. Boot en mr. [B] (kantoorgenoot van mr. Boot). Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1.

[eiseres] heeft op 31 januari 2017 een bedrag van € 200.000,- betaald aan de apotheek. Volgens [eiseres] moet dit bedrag worden terugbetaald. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit bedrag niet hoeft te worden terugbetaald omdat dit bedrag betaald zou zijn voor de koop van de aandelen van de apotheek.

3 De achtergrond van het geschil

3.1.

Apotheker mevrouw [C] (hierna: [C] ) was sinds 2007 bestuurder en, via een Stichting Administratiekantoor (STAK), enig aandeelhouder [onderneming 2] B.V (hierna: [onderneming 2] ). [onderneming 2] was enig aandeelhouder en enig bestuurder van de apotheek. In november 2009 is [C] getroffen door een ernstige ziekte. Vanaf dat moment kon [C] niet meer als apotheker werken en zijn er diverse waarnemend/beherend apothekers aangesteld bij de apotheek.

3.2.

In de periode van 1 september 2016 tot 1 maart 2019 is [A] als beherend apotheker werkzaam geweest voor de apotheek op basis van een arbeidsovereenkomst. [A] is de enige bestuurder en aandeelhouder van [eiseres] . [onderneming 3] B.V. (hierna [onderneming 3] ) is ook een onderneming van [A] .

3.3.

[gedaagde] was de echtgenoot van wijlen [C] en is tevens mede-schuldeiser van de apotheek. De apotheek is op 28 mei 2019 failliet verklaard. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 oktober 2023 geoordeeld dat [gedaagde] in de drie jaar voor het faillissement feitelijk beleidsbepaler van de apotheek was. In die hoedanigheid is [gedaagde] aansprakelijk voor het faillissementstekort van de apotheek, nader op te maken bij staat (zie ECLI:NL:GHARL:2023:8302).

4 De beoordeling

5 De beslissing