Home

Rechtbank Midden-Nederland, 16-09-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5171, 599137 FT RK 25-877

Rechtbank Midden-Nederland, 16-09-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5171, 599137 FT RK 25-877

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16 september 2025
Datum publicatie
3 november 2025
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:5171
Zaaknummer
599137 FT RK 25-877

Inhoudsindicatie

WHOA; afwijzing verzoek afkoelingsperiode

Uitspraak

beschikking

Afdeling Toezicht

Locatie Utrecht

verzoek afkoelingsperiode

rekestnummer: 25/877

uitspraakdatum: 16 september 2025

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:

de besloten vennootschap

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: “ [verzoekster] ”;

advocaten: mr. J.V. Maduro en mr. W.F.B. van den Berg.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak wijst de rechtbank het verzoek voor afkondiging van een afkoelingsperiode van [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) af. De belangrijkste reden voor dit oordeel is dat de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers gedurende de afkoelingsperiode verslechtert.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de startverklaring, gedeponeerd ter griffie op 11 augustus 2025, waaruit volgt dat [verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure;

- het verzoekschrift afkondiging afkoelingsperiode van 15 augustus 2025 met producties;

- de zienswijze, houdende bezwaar tegen de afkondiging afkoelingsperiode, van 20 augustus 2025 van de Belastingdienst;

- de zienswijze, houdende bezwaar tegen de afkondiging afkoelingsperiode, van 1 september 2025 van [bedrijf 1] B.V.;

- de brief, houdende intrekking van het bezwaar, van 2 september 2025 van [bedrijf 1] B.V.;

- de e-mail van 2 september 2025 met daarin het Rapport inzake de jaarrekening 2023 van [verzoekster] ;

- de spreekaantekeningen van mr. J.V. Maduro en mr. W.F.B. van den Berg.

2.2.

Het verzoek is op 3 september 2025 in raadkamer via een videoverbinding behandeld. Ter

zitting zijn verschenen:

- de heer [A] , bestuurder;

- mevrouw [B] , bestuurder;

- mr. J.V. Maduro;

- mr. W.F.B. van den Berg;

- de heer [C] , namens [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] );

- mevrouw [D] , namens de Belastingdienst;

Zowel [verzoekster] als de Belastingdienst hebben ter zitting hun standpunten mondeling toegelicht.

3 De feiten

De organisatie

3.1.

[verzoekster] is in 2004 opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder van [verzoekster] is [bedrijf 3] B.V. (“ [bedrijf 3] ”). Bestuurders van [bedrijf 3] zijn [bedrijf 4] B.V. (“ [bedrijf 4] ”) en [bedrijf 5] B.V. (“ [bedrijf 5] ”). Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] is de heer [A] . Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] is mevrouw [B] . De heer [A] en mevrouw [B] zijn dus middellijk bestuurders van [verzoekster] .

Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.

3.2.

[verzoekster] is een onderneming die werknemers begeleidt van de ene naar de andere werkgever, wanneer zij vastlopen. In de praktijk betekent dit dat werknemers die een arbeidsgeschil hebben met hun werkgever of werknemers die vanwege burn-outklachten thuis zitten met hulp van [verzoekster] worden begeleid naar een ander dienstverband.

3.3.

Vanaf 2017 heeft [verzoekster] zich gericht op de ‘contractoverneming-dienst’ die inhoudt dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomsten van werknemers bij gemeenten, waterschappen, provincies e.d. overneemt tegen betaling van een vergoeding door de voormalig werkgever. Voor de contractoverneming betaalt de voormalig werkgever een vergoeding van 1,85 keer (eerder was dit 1,5 keer) het bruto jaarloon. Dit komt neer op ongeveer € 155.000 per werknemer. Betaling van die zogenoemde ‘overname fee’ vindt plaats door middel van een éénmalige factuur met een betalingstermijn van veertien of dertig dagen. vervolgens spant [verzoekster] zich in om de werknemers te herplaatsen bij een nieuwe werkgever. Detachering van de medewerker is ook mogelijk. Het hoofddoel van [verzoekster] is de in- en uitstroom van werknemers. Detachering wordt gezien als een middel om efficiënt en – voor [verzoekster] – kosteneffectief dat hoofddoel te bereiken.

3.4.

Naast deze contractoverneming-dienst detacheert [verzoekster] ook ander personeel op separate in- en uitleenbasis. Dit is slechts ter ondersteuning van de detacheringsklanten.

De financiële situatie

3.5.

In 2020 heeft [verzoekster] een aanbesteding van arbeidscontractoverneming van Rijksambtenaren gewonnen. Vervolgens is tussen [verzoekster] en het Rijk een raamovereenkomst voor de duur van drie jaar (1 januari 2020 t/m 31 december 2023) gesloten. Op basis daarvan kon [verzoekster] de arbeidsovereenkomsten van het Rijk overnemen. Bij de aanbesteding werd een instroom van 52 werknemers vanuit het Rijk verwacht. Samen met de 32 ‘reguliere’ werknemers vanuit de gemeenten, provincies en waterschappen, zou de jaarlijkse instroom groeien naar 84 werknemers in totaal. De overname fee voor de Rijksambtenaren was € 146.224,- per werknemer. Dit zou jaarlijks een omzet van ongeveer € 7.000.000,- opleveren, dus in totaal over drie jaar € 28.000.000,-. Deze uitbreiding en de aanbestedingsvoorwaarden vroegen om een forse uitbreiding van de IT en overig personeel, zoals coaches, psychologen, ondersteuners etc.

3.6.

Uiteindelijk zijn er maar 34 Rijksambtenaren ingestroomd over de totale contractperiode van vier jaar. Dit komt neer op 13% van de totale verwachte instroom. Het Rijk erkende dit probleem, maar de overeenkomst werd niet aangepast. Bovendien is schadevergoeding door het Rijk in de aanbesteding uitgesloten. Daarbij komt dat de heer [A] en mevrouw [B] zich hadden verkeken op de mogelijkheden om de Rijksambtenaren te herplaatsen en te detacheren. Een van de redenen was dat Rijksambtenaren niet bij de lagere overheden herplaatst konden worden. Juist daar waar [verzoekster] een groot netwerk heeft. Dit had invloed op de omzet. Bovendien werd deze problematiek verder versterkt tijdens de coronapandemie.

3.7.

De problematiek leidde tot forse verliezen in de periode 2020 tot en met 2024. Het liquiditeitstekort dat daardoor ontstond is opgevangen doordat de Belastingdienst tussen 2020 en 2024 uitstel heeft verleend voor de betaling van belastingen en het ABP voor de betaling van de pensioenpremie. Daarnaast is de omzetbelasting niet afgedragen. Nadat de contractperiode met het Rijk in 2024 afliep, heeft [verzoekster] haar personeelsbestand ingekrompen door middel van vaststellingsovereenkomsten en transitievergoedingen. Daarnaast is [verzoekster] verhuisd naar een goedkoper bedrijfspand en is het wagenpark afgestoten. In het laatste kwartaal van 2025 zal [verzoekster] nog afscheid moeten nemen van zestien werknemers.

3.8.

De crediteuren zijn op de hoogte gehouden van de financiële situatie van [verzoekster] . [verzoekster] heeft met het ABP een betalingsregeling getroffen. Daarnaast heeft [verzoekster] gesprekken gevoerd met de Belastingdienst. In januari 2025 is een saneringsverzoek ingediend. Het saneringsverzoek is door de Belastingdienst afgewezen, evenals het beroep dat [verzoekster] tegen de afwijzing van het saneringsverzoek heeft ingesteld.

3.9.

De Belastingdienst is veruit de grootste schuldeiser met een totale vordering van € 26.377.458,-. De concurrente schuldeisers hebben tezamen een totale vordering van ongeveer € 500.000,- op [verzoekster] .

4 Het verzoek en de onderbouwing daarvan

5 De zienswijze

6 De beoordeling

7 De beslissing