Rechtbank Noord-Holland, 20-11-2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11814, 15.002948
Rechtbank Noord-Holland, 20-11-2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11814, 15.002948
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 20 november 2015
- Datum publicatie
- 19 januari 2016
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2015:11814
- Formele relaties
- Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2016:2418, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Zaaknummer
- 15.002948
Inhoudsindicatie
Beschikking ex artikel 552a Sv. Beslag onder advocaat, verschoningsgerechtigde. Plaats inbeslagneming: kantoor, privéadres en bij derden. Moment van inbeslagneming. Omvang van het beslag.
Artikel 98 Sv: zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Beschikking rechter-commissaris ex artikel 98 Sv: kennisneming voor verdenking relevante documenten toestaan.
Door beide partijen beroep in cassatie ingesteld.
Uitspraak
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar Meervoudige raadkamer
Registratienummer: 15.002948
Parketnummer: 15/993000-15
Uitspraakdatum: 20 november 2015
Beschikking (art. 552a Sv.)
1 Ontstaan en loop van de procedure
Op 28 mei 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een klaagschrift, gedateerd 27 mei 2015 en op 21 oktober 2015 is op diezelfde griffie ingekomen een aanvullend klaagschrift, gedateerd 21 oktober 2015 van mr. F.G.I. van Ardenne, advocaat te Rotterdam en gemachtigde van
[klager] , klager,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres] ,
[woonplaats] ,
kantoorhoudende aan de [adres] , [vestigingsplaats] ,
domicilie kiezende [adres] te Rotterdam [postbus] , ten kantore van mr. F.G.I. van Ardenne, advocaat.
Het klaagschrift gedateerd 27 mei 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:
- de op 18 mei 2015 op het kantooradres van klager ( [kantooradres] ) inbeslaggenomen goederen;
- de op 18 mei 2015 op het toenmalige privéadres van klager ( [verblijfsadres] ) inbeslaggenomen goederen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 31 juli 2015 schriftelijk verweer gevoerd.
Op 15 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris beschikt (art. 98 Sv) dat zij de inbeslagname toestaat van 15 documenten, waarvan 7 documenten aangetroffen bij klager en 8 documenten aangetroffen bij [cliënt van klager] , medeverdachte in de strafzaak tegen klager.
Het klaagschrift gedateerd 21 oktober 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:
- de 15 documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015.
Het Openbaar Ministerie heeft hier op 27 oktober 2015 schriftelijk op gereageerd.
Op 29 oktober 2015 is het klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld.
Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.G.I. van Ardenne, voornoemd, en diens kantoorgenote mr. R.J.E. Merkus.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J. Mooijen.
Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.
De standpunten van partijen zoals hieronder weergegeven zijn gebaseerd op de schriftelijke stukken, zoals aangevuld/gewijzigd bij de mondelinge behandeling in raadkamer.
In het navolgende zullen de volgende begrippen worden gehanteerd: documenten, bestanden en gegevensdragers. Wanneer het gaat om zowel de documenten, bestanden als de gegevensdragers, zal dit in deze beschikking worden aangeduid met: goederen.
2 Standpunt klager
Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de raadsman meegedeeld dat het klaagschrift ziet op alle onder klager (privé, op kantoor en nageleverde) inbeslaggenomen goederen, alsmede op de onder [cliënt van klager] inbeslaggenomen goederen die onder het verschoningsrecht van klager vallen.
Omvang van het beslag: alleen de vijftien documenten, genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris
Klager stelt zich op het standpunt dat slechts de (vijftien) documenten ten aanzien waarvan de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat inbeslagneming is toegestaan, onder het beslag vallen. Klager komt tot dit standpunt door de manier waarop de rechter-commissaris haar beslissing in de beschikking van 15 oktober 2015 heeft geformuleerd en door de redactie van artikel 98, derde en vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In het derde lid is onder meer bepaald dat de rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, de verschoningsgerechtigde meedeelt dat er beklag open staat tegen zijn beslissing. In het vierde lid is bepaald dat de verschoningsgerechtigde een klaagschrift kan indienen tegen de beschikking van de rechter-commissaris binnen 14 dagen na betekening daarvan. Door de onderlinge samenhang van deze leden lijken de beschikking en de beslissing van de rechter-commissaris één en dezelfde te zijn. Tegen zowel de beslissing als de beschikking staat beklag open en het ligt niet voor de hand dat er twee keer beklag kan worden ingediend. Om die reden concludeert klager dat de wet ertoe strekt dat in de beschikking van de rechter-commissaris wordt bepaald of en zo ja, welke documenten in beslag worden genomen. Ook de feitelijke gang van zaken pleit voor deze zienswijze. De rechter-commissaris kon tijdens de doorzoeking niet alle documenten, digitale bestanden en nog uit het archief op te vragen documenten/bestanden beoordelen. Daarom is de doorzoeking als het ware bevroren en op een later moment voortgezet op het Kabinet RC, waarbij klager de gelegenheid kreeg zich over de selectie van de rechter-commissaris uit te laten. Eerst hierna heeft de rechter-commissaris haar beschikking opgesteld.
Gelet hierop dienen de overige door de rechter-commissaris feitelijk meegenomen/overgenomen goederen, niet zijnde één van de vijftien in de beschikking van de rechter-commissaris genoemde documenten, te worden teruggegeven.
Mocht de rechtbank menen dat ook de andere meegenomen/overgenomen goederen in beslag zijn genomen, dan strekt het klaagschrift zich ook uit over deze goederen.
Bij de doorzoeking van de [verblijfsadres] , waarbij ook de deken en de officier van justitie aanwezig waren, heeft klager aangegeven dat alle goederen vallen onder zijn verschoningsrecht.
Geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden
Klager stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk op het verschoningsrecht en dus inbeslagneming rechtvaardigen. Klager heeft zich verzet tegen de inbeslagnemingen. Er is geen sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 98, vijfde lid Sv, nu geen goederen in beslag zijn genomen die het voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
Evenmin is sprake van het bij hoge uitzondering mogen prevaleren van de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen niet gemakkelijk worden aangenomen. De Hoge Raad heeft enkele malen overwogen dat de enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde zelf als verdachte is aangemerkt, niet toereikend is voor het aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden. In de jurisprudentie wordt aangenomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden indien een redelijke verdenking bestaat dat de geheimhouder een ernstig strafbaar feit heeft begaan. Het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt teneinde samen meerdere strafbare feiten te plegen of het ter beschikking stellen van een bankrekening waarover dubieuze geldstromen lopen is als zodanig aangemerkt. De verdenking tegen klager is van een hele andere, lichtere orde. De verdenking betreft het valselijk opmaken of vervalsen van een brief over een vordering in een faillissement naar de curator en het over deze brief opstellen van een valse verklaring. Dit houdt geen verband met de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Niet alleen advocaten kunnen immers een vordering indienen bij de curator en niet alleen advocaten kunnen schriftelijke verklaringen afleggen. Deze stukken zijn inderdaad ingebracht in een procedure maar hebben nooit ergens toe geleid. Klager had geen rol als procesvertegenwoordiger in die procedure.
Publiek belang
Het verschoningsrecht dient niet alleen het individuele belang van klager, maar ook een publiek belang. Er wordt grote maatschappelijke waarde gehecht aan het belang dat een ieder zich zonder vrees voor openbaring vrijelijk tot een advocaat moet kunnen wenden.
Het ontbreken van relevantie
Klager stelt zich voorts op het standpunt dat het ontbreken van relevantie voor de strafzaak een op zichzelf staande reden is om de inbeslagname van de goederen te weigeren. Vatbaar voor inbeslagname zijn immers enkel de voorwerpen die 1) kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, of 2) om wederrechtelijk voordeel aan te tonen of 3) die bewaard worden om een recht tot verhaal veilig te stellen. De documenten die klager heeft mogen inzien, houden geen verband met de door de FIOD en het Openbaar Ministerie geformuleerde verdenking jegens klager en zijn om die reden niet relevant voor de strafzaak. De documenten die klager op 30 september 2015 heeft mogen inzien betroffen slechts andere aangelegenheden zoals bijvoorbeeld een wijziging van alimentatie of de aankoop van een paard.
3 Standpunt officier van justitie
Omvang van het beslag: alle inbeslaggenomen goederen
Het Openbaar Ministerie stelt zich onder de verwijzing naar de definitiebepaling van artikel 134 Sv en het arrest van de Hoge Raad NJ 1936, 1015 op het standpunt dat de rechter-commissaris bij de doorzoeking op 28 mei 2013 (de rechtbank leest: 18 mei 2015) documenten in beslag heeft genomen en gegevens heeft vastgelegd. Vaak wordt er meer administratie in beslag genomen dan in het onderzoeksdossier terecht komt en zeker meer dan in het procesdossier terecht komt. De inbeslaggenomen goederen die niet in de dossiers worden gevoegd, blijven in de kluis van het Kabinet RC.
De tekst van artikel 98 Sv gaat uit van inbeslagneming en niet van de selectie. Ook elders in het Wetboek van Strafvordering wordt het selecteren van goederen niet gedefinieerd als een geldige titel om buiten de wil van de betrokkene, goederen onder zich te houden. Het enkele feit dat de rechter-commissaris op 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat zij toen pas documenten in beslag heeft genomen, maakt dat niet anders. Tegen de selectie van de rechter-commissaris kan niet worden geklaagd.
Het beslag omvat derhalve de eerdergenoemde tijdens de doorzoeking gelegde beslagen alsmede de later gelegde beslagen, waaronder de notitie van [accountant] en de documenten die door het kantoor van klager en door archiefbedrijf [naam] aan de rechter-commissaris zijn verstrekt.
Zeer uitzonderlijke omstandigheden
Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden voornamelijk zien op de aard van de verdenking. De stevigheid van de verdenking is niet van doorslaggevende betekenis. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden is sprake als de strafbare feiten de kern van de werkzaamheden van een advocaat raken en aldus de verdenking het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet worden gesteld. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en huiszoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van strafvordering, zij het dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij moet worden voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat onevenredig worden getroffen. In een zeer uitzonderlijk geval als genoemd komt het oordeel of bepaalde documenten redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het verweten strafbare feit dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen en een inbreuk op het verschoningsrecht is gerechtvaardigd, in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de deken van de Orde van Advocaten in het desbetreffende arrondissement of diens vervanger. Stuksgewijze beoordeling is daarbij niet nodig. De rechter-commissaris heeft blijkens de processen-verbaal terughoudendheid bij de inbeslagneming in acht genomen.
Net als bij andere fraude onderzoeken moet het mogelijk zijn dat de rechter-commissaris in een later stadium van het onderzoek die administratie nogmaals bekijkt, om met de wetenschap die zij dán heeft misschien nog andere stukken te selecteren voor het onderzoek. De inbeslaggenomen goederen dienen ook na een onherroepelijke beslissing in deze beklagprocedure beschikbaar te blijven voor het onderzoek. Als de rechtbank zou beslissen dat de inbeslaggenomen goederen zouden moeten worden teruggegeven, zou dat het onderzoek en de waarheidsvinding veel schade doen. Alleen de goederen, waarvan nu al duidelijk is dat ze absoluut niet relevant zijn en ook niet relevant zullen worden, kunnen aan de beslagene worden teruggegeven.