Rechtbank Noord-Holland, 18-04-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4855, 5742718
Rechtbank Noord-Holland, 18-04-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4855, 5742718
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 18 april 2017
- Datum publicatie
- 10 juli 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2017:4855
- Zaaknummer
- 5742718
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 629, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 669, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 671b, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 673
Inhoudsindicatie
Ontbinding arbeidsovereenkomst, verwijtbaar handelen
Uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 5742718/AO VERZ 17-13/WS
Uitspraakdatum: 18 april 2017
Beschikking in de zaak van:
de besloten vennootschap Hago Rail Services B.V.,
gevestigd te Heerlen
verzoekende partij
verder te noemen: Hago
gemachtigde: mr. R.M. Dessaur
tegen
[naam verzoeker]
wonende te [plaats]
verwerende partij
verder te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. M. Boersma (FNV)
1 Het procesverloop
Hago heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
Op 20 maart 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 16 maart 2017 nog stukken toegezonden.
2 De feiten
[verweerder] , geboren [geboortedatum] , is op 1 november 2012 in dienst getreden bij Hago. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van Medewerker transportmiddelen onderhoud 2, met een salaris van € 12,27 bruto per uur bij een werkweek van 32 uur.
Voor de periode 25 augustus tot 20 september 2016 heeft [verweerder] van Hago toestemming gekregen voor het opnemen van vakantiedagen voor een reis naar de Dominicaanse Republiek. Daarnaast heeft [verweerder] kort voor deze vakantie bij Hago een verzoek gedaan, dan wel informatie ingewonnen, om aansluitend aan deze vakantie voor een periode van 3-6 maanden onbetaald verlof op te mogen nemen. [verweerder] wilde voor langere tijd naar de Dominicaanse Republiek voor het oplossen van een probleem met een door haar aangekocht huis.
Op 25 augustus 2016, de dag van vertrek naar de Dominicaanse Republiek, heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
Bij brief van 26 augustus 2016 heeft Hago [verweerder] laten weten dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met de afspraken die gelden bij ziekte. Hago heeft [verweerder] dringend verzocht om uiterlijk 31 augustus 2016 contact op te nemen met de Operational manager.
Op 2 september 2016 heeft de echtgenoot van [verweerder] een telefonisch onderhoud gehad met de Manager P&O. De echtgenoot heeft verklaard dat [verweerder] ziek is en niet in staat is om naar Nederland te reizen.
Bij brief van 9 september 2016 heeft Hago [verweerder] laten weten dat het recht op loon met ingang van de ziekmelding is opgeschort en dat een medische verklaring waaruit de ongeschiktheid tot reizen van [verweerder] blijkt, wordt verlangd.
Op 10 oktober 2016 zijn vanuit de Dominicaanse Republiek medische gegevens over [verweerder] ontvangen van dr. Manuel A. Pena. De bedrijfsarts verklaart hierover op 17 oktober 2016: “het handgeschreven stuk is voor mij bijzonder moeilijk leesbaar. Het getypte stuk bevat diagnoses die op zich nog steeds niet voor mij overtuigend of per definitie betekenen dat ze niet kan reizen”.
Bij brief van 14 oktober 2016 heeft Hago [verweerder] laten weten dat er geen sprake is van een reisbeperking en dat [verweerder] nog eenmaal in de gelegenheid wordt gesteld om een medische verklaring over te leggen waaruit volgt dat [verweerder] niet kan reizen. Omdat een medische verklaring uitbleef heeft Hago [verweerder] bij brief van 24 oktober 2016 gesommeerd om terug te keren naar Nederland en zich te melden bij Hago. Tevens is bij deze brief een loonstop opgelegd.
Op 27 oktober 2016 zijn nadere medische stukken van dr. Manuel A. Pena ontvangen. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er geen nieuwe medische informatie is en handhaaft zijn visie dat [verweerder] niet heeft aangetoond dat zij niet kan reizen. Bij brief van 16 november 2016 heeft Hago [verweerder] andermaal bericht dat zij wordt verwacht in Nederland omdat volgens Hago geen sprake is van een reisbeperking.
Bij brief van 7 december 2016 laat Hago [verweerder] weten dat Hago een deskundigenoordeel gaat aanvragen. Bij de aanvraag om een deskundigenoordeel van 12 december 2016 bevindt zich nadere medische informatie van dr. Manuel A. Pena van 29 november 2016. Uit die informatie blijkt dat [verweerder] lijdt aan een huidziekte en een angststoornis. Volgens de arts kan [verweerder] niet reizen tot de behandeling is voltooid. De arts merkt op: “de inname van de medicijnen veroorzaakt bij patiënte een verdoofde toestand.”
Op 21 december 2016 keert [verweerder] terug in Nederland. Zij heeft dan een nadere verklaring van de arts van 20 december 2016 waarin staat: “duidelijke verbetering bij patiënte die mag reizen (...)”.
Op 27 december 2016 heeft het UWV in een deskundigenoordeel geoordeeld dat [verweerder] onvoldoende re-integratie inspanningen verricht. De verzekeringsarts deelt de visie van de bedrijfsarts dat op basis van de beschikbare medische informatie niet is vast te stellen of [verweerder] al dan niet kan reizen.
Op 19 januari 2017 is [verweerder] op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Het advies van de bedrijfsarts is om te starten met halve dagen.
Op 6 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , de regiomanager en de P&O adviseur. [verweerder] is te kennen gegeven dat zij op dat moment niet mag hervatten en moet wachten op het juridische standpunt van Hago.
3 Het verzoek
Hago verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g of h van het BW.
Aan dit verzoek legt Hago ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van de [verweerder] dan wel van een verstoorde arbeidsverhouding. Ook stelt Hago dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van Hago redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Hago naar voren gebracht dat [verweerder] structureel haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Ook zou [verweerder] (passend) werk hebben geweigerd. Volgens Hago is zelfs sprake van ernstige verwijtbaarheid waardoor de ontbinding op kortst mogelijke termijn moet worden uitgesproken.