Home

Rechtbank Noord-Holland, 27-02-2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1811, 994516-16

Rechtbank Noord-Holland, 27-02-2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1811, 994516-16

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27 februari 2018
Datum publicatie
5 april 2018
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2018:1811
Zaaknummer
994516-16

Inhoudsindicatie

Vrijspraak: geen sprake van 'in gebruik zijnde' nesten van oeverzwaluwen; geen sprake van beschadigen/vernielen/wegnemen/uithalen/ verstoren van nesten van oeverzwaluwen;

geen opzettelijke verstoring van de oeverzwaluwen en geen wezenlijke invloed op instandhouding van populatie oeverzwaluw.

Uitspraak

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/994516-16 (P)

Uitspraakdatum: 27 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd [vestigingsplaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.H.M. Beune en van hetgeen namens verdachte en de raadsvrouw, mr. R. Hoeneveld, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 mei 2015 tot en met 12 juni 2015 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) nest(en) en/of hol(en) en/of (een) andere voorplantings- of vaste rust- of verblijfplaats(en) van (een) dier(en), te weten een of meer, oeverzwaluw(en), behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft beschadigd en/of vernield en/of uitgehaald en/of weggenomen en/of verstoord, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s):

- ( bouw)werkzaamheden uitgevoerd op/nabij de Geniedijk, terwijl daar broedgaten van oeverzwaluwen aanwezig waren, en/of

- grond gestort in en/of over voornoemde broedgaten, waardoor de oeverzwaluwen deze broedgaten niet meer konden bereiken;

Feit 2:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 mei 2015 tot en met 12 juni 2015 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een dier(en) behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft verontrust, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s):

- ( bouw)werkzaamheden uitgevoerd op/nabij de Geniedijk, terwijl daar broedgaten van oeverzwaluwen aanwezig waren, en/of

- grond gestort in en/of over voornoemde broedgaten, waardoor de oeverzwaluwen deze broedgaten niet meer konden bereiken.

2 Ontvankelijkheid verzet

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte niet ontvankelijk te verklaren in het ingestelde verzet. Zij heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat [verdachte] de aan haar opgelegde strafbeschikking, bestaande uit een geldboete van € 650,00, op 12 oktober 2016 heeft voldaan. Hiermee is de zaak geëindigd. Op 13 oktober 2016 is het verzetschrift gedateerd 12 oktober 2016, bij het Functioneel Parket Amsterdam ontvangen. Door aan de strafbeschikking te voldoen heeft verdachte gelet op het bepaalde in artikel 257e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), afstand gedaan van de bevoegdheid verzet aan te tekenen. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verzet niet op de juiste wijze, te weten door een daartoe bevoegd persoon, is gedaan. Het verzet is ingesteld door [vertegenwoordiger] , namens [verdachte] , terwijl niet blijkt dat deze [vertegenwoordiger] ook is gemachtigd om dit te doen.

Namens verdachte is naar voren gebracht dat het niet de bedoeling is geweest om de strafbeschikking te betalen, maar om verzet in te stellen. Er is geprobeerd de betaling tegen te houden, maar dit is kennelijk niet gelukt. De betaling van de strafbeschikking berust daarmee op een dwaling. Voor zover het verzet niet op de juiste wijze zou zijn ingesteld, heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat dit verzuim is gedekt doordat verdachte (bij gemachtigde) ter zitting is verschenen.

De rechtbank stelt vast dat de [verdachte] bij brief van 12 oktober 2016 verzet heeft ingesteld en dat blijkens een door de officier van justitie overgelegd betalingsoverzicht op diezelfde datum bij het Centraal Justitieel Incassobureau de betaling van de strafbeschikking is ontvangen. Met de mogelijkheid verzet aan te tekenen tegen een door het Openbaar Ministerie opgelegde strafbeschikking wordt het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geregelde recht op toegang tot een onafhankelijke rechter gewaarborgd. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat de [verdachte] (impliciet) afstand heeft gedaan van dit wezenlijke recht op grond van de omstandigheid dat de [verdachte] is overgegaan tot betaling van de strafbeschikking. De rechtbank acht van doorslaggevend belang, dat op of omstreeks de dag van betaling van de strafbeschikking tevens verzet tegen de strafbeschikking is ingediend door de [verdachte] . In het licht hiervan kan niet worden geoordeeld dat de [verdachte] door betaling van de strafbeschikking ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar bevoegdheid tot het doen van verzet en daarmee van haar wezenlijke recht op toegang tot een onafhankelijke rechter.

De rechtbank verklaart verdachte dan ook ontvankelijk in het ingestelde verzet.

3 Voorvragen

3.1.

Beroep op nietigheid van de oproeping

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de oproeping nietig te verklaren nu de tenlastelegging niet kan leiden tot een kwalificatie. Bovendien voldoet de oproeping niet aan het bepaalde in artikel 261 Sv, nu wordt verwezen naar inmiddels vervallen wetsartikelen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de inhoud van de in de oproeping opgenomen tenlastelegging is voor verdachte voldoende duidelijk welke gedragingen haar worden verweten. Verdachte heeft ook niet gesteld dat zij niet weet wat haar wordt verweten. Daarmee voldoet de oproeping aan de eisen als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sv in verband met artikel 47 van de Wet op de economische delicten. Het enkele feit dat de tenlastelegging is gebaseerd op de inmiddels vervallen artikelen 11 en 10 van de Flora- en Faunawet (Ffw) en de in die artikelen genoemde verbodsbepalingen verschillen van de verbodsbepalingen in het huidige artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb), doet daaraan niet af. De oproeping is daarom geldig. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld aan te voeren dat hetgeen is tenlastegelegd niet als strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd, komt die vraag pas aan de orde bij de inhoudelijke beslissing over de tenlastegelegde feiten als bedoeld in artikel 350 Sv.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Standpunten van partijen

5 Vrijspraak

6 Beslissing