Rechtbank Noord-Holland, 23-05-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4283, C/15/282075 / HA RK 18-215
Rechtbank Noord-Holland, 23-05-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4283, C/15/282075 / HA RK 18-215
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 23 mei 2019
- Datum publicatie
- 24 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2019:4283
- Zaaknummer
- C/15/282075 / HA RK 18-215
Inhoudsindicatie
Afwijzing van verzoek om de Staat (de rechtbank Amsterdam) op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) te bevelen kopieën te verstrekken van alle bij de rechtbank Amsterdam aanwezige interne en externe (dossier)stukken waarin persoonsgegevens van verzoekers voorkomen. Het recht op inzage betekent niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of dossiers als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan
Verzoekers hebben geen belang bij kopieën van stukken die reeds in hun bezit zijn. Het inzagerecht strekt zich voorts niet uit tot interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verwerkingsverantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad. Juridische analyses naar aanleiding van persoonsgegevens kunnen niet worden gekwalificeerd als persoonsgegevens. Het is aan de behandelend kantonrechter om in een concrete zaak te bepalen welke dossierstukken worden verstrekt. Het inzagerecht strekt zich niet uit tot correspondentie die valt onder de vertrouwelijke relatie tussen een advocaat en diens cliënt.
Uitspraak
beschikking
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/282075 / HA RK 18-215
Beschikking van 23 mei 2019
in de zaak van
1 [verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat mr. S.M. Singh te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te Den Haag,
verweerder,
advocaten mr. L. Groenveld en mr. G.J. Zwenne te Den Haag.
Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoekers] en de Staat worden genoemd. Verzoekers zullen afzonderlijk [verzoeker] en [verzoekster] worden genoemd.
1 De procedure
Bij e-mail van 25 mei 2018 heeft [verzoeker] bij de rechtbank Amsterdam een verzoek om inzage gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). [verzoeker] heeft verzocht om kopieën, in digitale vorm, van alle persoonsgegevens die de rechtbank over hem heeft verwerkt. In het verzoek wordt ook gewezen op de verwerking van persoonsgegevens van [verzoekster] . Partijen zijn het erover eens dat het verzoek ook ziet op haar persoonsgegevens.
Op 30 mei 2018 is een ontvangstbevestiging aan [verzoeker] gestuurd met daarin het verzoek aan [verzoeker] en [verzoekster] om zich in persoon te komen identificeren. [verzoeker] heeft zich in persoon ter identificatie gemeld en daarbij documentatie overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om [verzoekster] te vertegenwoordigen.
Bij brief van 23 juli 2018, gericht aan [verzoeker] , heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam een overzicht van de persoonsgegevens van [verzoeker] en [verzoekster] verstrekt.
Op 4 september 2018 is bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift binnengekomen van [verzoekers] op grond van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) en artikel 15 AVG.
Bij beschikking van 29 november 2018 heeft de rechtbank Amsterdam de zaak op de voet van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.
Op 28 maart 2019 is bij deze rechtbank een aanvullend verzoekschrift van [verzoekers] , gedateerd 27 maart 2019, binnengekomen met een nadere onderbouwing van het verzoek.
Eveneens op 28 maart 2019 is bij deze rechtbank een verweerschrift van de Staat binnengekomen.
Op 11 april 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de meervoudige kamer van deze rechtbank. Zowel mr. Singh als mr. Groeneveld hebben zich bediend van pleitnotities. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
2 De feiten
[verzoekster] is bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 18 november 2005 onder bewind gesteld met benoeming van haar moeder tot bewindvoerder en mentor.
Bij beschikking van 7 januari 2009 is [verzoeker] in plaats van moeder benoemd tot bewindvoerder van [verzoekster] .
Bij beschikking van 4 december 2013 zijn moeder en [verzoeker] ontslagen als respectievelijk mentor en bewindvoerder en is [betrokkene 1] in hun plaats in beide functies benoemd.
Op 25 augustus 2014 heeft [betrokkene 1] verzocht om te worden ontslagen als bewindvoerder en mentor. Bij faxbericht van 26 augustus 2014 heeft mr. Singh verzocht [betrokkene 1] te ontslaan als bewindvoerder en mentor en [verzoeker] te benoemen als opvolgend bewindvoerder en mentor. [betrokkene 1] heeft het verzoek tot haar ontslag op 31 oktober 2014 weer ingetrokken. Op 18 november 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De beslissing is aangehouden in afwachting van een op te maken psychodiagnostisch onderzoeksrapport. Bij brief van 10 oktober 2014 heeft de kantonrechter aan mr. Singh laten weten dat [betrokkene 1] opnieuw haar ontslag als bewindvoerder/mentor heeft ingediend, dat dit verzoek zal worden gehonoreerd en dat de kantonrechter voornemens is om een professioneel bewindvoerder en mentor te benoemen.
Na kennisneming van het psychodiagnostische rapport van 6 januari 2015 heeft de kantonrechter bij beschikking van 29 juni 2015 [betrokkene 1] ontslagen als mentor en [verzoeker] als opvolgend mentor benoemd. Het verzoek van [verzoeker] om hem te benoemen tot opvolgend bewindvoerder is afgewezen. Bij faxbericht van 10 december 2015 en e-mails van 4 en 7 januari 2016 heeft mr. Singh verzocht om verbetering van de beschikking waarna de datum en de aanwezigen bij de mondelinge behandeling bij herstelbeschikking van 5 januari 2016 zijn verbeterd.
Op 28 september 2015 is [verzoekster] in hoger beroep gegaan van een deel van de beschikking van 29 juni 2015. Bij beschikking van 12 april 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam [betrokkene 1] ontslagen als bewindvoerder en [verzoeker] benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
Bij dagvaarding van 24 december 2015 heeft mr. Singh namens [verzoekster] de Staat gedagvaard in kort geding. Bij brief van 7 januari 2016 heeft mr. Singh het kort geding weer ingetrokken.
Na herhaaldelijk verzoek is door de kantonrechter te Amsterdam op 31 december 2015 aan mr. Singh een afschrift van het dossier van [verzoekster] tot dan toe verstrekt. Na die datum zijn aan mr. Singh afschriften verstrekt van diverse stukken die later aan het dossier zijn toegevoegd.
Na in verschillende instellingen te hebben verbleven, verblijft [verzoekster] sinds 20 augustus 2014 bij [verzoeker] .
Bij brief van 4 april 2017 heeft mr. Singh namens [verzoekers] een groot aantal klachten ingediend bij het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam. De klachten zagen met name op onzorgvuldigheden van de rechtbank ten aanzien van het mentorschap en bewind. In de brief heeft mr. Singh verder om afschriften van een groot aantal stukken verzocht.
Bij brief van 7 augustus 2017 heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam uitgebreid gereageerd op de hiervoor vermelde klachtbrief van mr. Singh. De conclusie van die brief luidde dat de klacht niet inhoudelijk kan worden behandeld dan wel ongegrond is.