Home

Rechtbank Noord-Holland, 07-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:7518, HAA 20/893

Rechtbank Noord-Holland, 07-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:7518, HAA 20/893

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
7 september 2020
Datum publicatie
28 september 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:7518
Zaaknummer
HAA 20/893

Inhoudsindicatie

PKV

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/893

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 24 februari 2020 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 16 juli 2019 voor uitstroom uit de opvang via een contingent woning of via begeleid wonen.

Op 5 maart 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.

Het beroep is bij brief van 17 maart 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij brief van 11 mei 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd.

Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser bij het intrekken van het (terecht ingediende) beroepschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

4. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.

5. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht).

6. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,- te worden vergoed door verweerder.

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel