Rechtbank Noord-Holland, 15-04-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3018, 20/2191
Rechtbank Noord-Holland, 15-04-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3018, 20/2191
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 15 april 2021
- Datum publicatie
- 12 december 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2021:3018
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:649, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 20/2191
Inhoudsindicatie
AVG beroep ongegrond
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: 20/2191
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder (gemachtigden: E. de Jong en T. van Veen).
Procesverloop
In het besluit van 14 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om inzage in haar persoonsgegevens gehonoreerd door het verstrekken van overzichtslijsten van de verwerkte gegevens en het verstrekken van enkele documenten in kopie.
In het besluit van 26 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021, gelijktijdig met het beroep van [naam] , door de rechtbank geregistreerd met zaaknummer 20/2192. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Overwegingen
1. Eiseres heeft bij brief van 25 juli 2019 verzocht om aan te geven welke persoonsgegevens van haar zijn verwerkt, wat de herkomst van die gegevens is, wat het doel daarvan is, aan wie die gegevens eventueel zijn verstrekt en welke passende waarborgen er zijn getroffen bij doorgifte van die gegevens aan een ander land. Daarbij heeft eiseres verzocht om een kopie te overleggen van de verwerkte persoonsgegevens.
2. Verweerder heeft op het verzoek beslist en overzichten verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens, met daarbij aangegeven aan wie de gegevens zijn verstrekt en de juridische grondslag en het doel daarvan. Daarnaast heeft verweerder enkele documenten waarin persoonsgegevens zijn verwerkt kopieën verstrekt.
3. In bezwaar heeft eiseres zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de door verweerder verstrekte overzichten onvoldoende zijn. Eiseres kan aan de hand van die gegevens niet nagaan of de verwerking rechtmatig is en het doel van de verwerking dienen. Ook heeft eiseres gesteld dat er (veel) meer persoonsgegevens zijn verwerkt dan in de verstrekte overzichten is opgenomen.
4. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van 29 januari 2020. Dit advies komt er - kort samengevat - op neer dat alle beschikbare informatie is verstrekt en dat de wijze waarop de informatieverstrekking heeft plaatsgevonden voldoende is en voldoet aan het bepaalde in de AVG.
In beroep heeft eiseres gesteld dat verweerder niet heeft mogen volstaan met het verstrekken van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens. Verweerder had de documenten waarin de persoonsgegevens van eiseres zijn verwerkt in kopie moeten overleggen. Eiseres wijst in dit verband op overweging 4.13 van de uitspraak van de gerechtshof Den Haag van 17 september 2019 (ECLI:NL:GHDH:2019:2398) waaruit volgt dat het verstrekken van een enkel overzicht onvoldoende is.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het doel van verstrekking van de persoonsgegevens is dat de betrokkene zich op de hoogte kan stellen van de verwerking van zijn persoonsgegevens en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Een bestuursorgaan mag dat doen door op verzoek kopieën te verstrekken van de documenten waarin deze persoonsgegevens zijn opgenomen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. De in artikel 15, derde lid, van de AVG opgenomen verplichting tot het verstrekken van een ‘kopie van persoonsgegevens’ betekent dus niet dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin persoonsgegevens voorkomen.1 Door het verstrekken van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens met een toelichting daarop, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de AVG.
Eiseres heeft in beroep voorts gesteld dat het inzagerecht bij de vakafdeling van PW-dossiers en documenten niet volstaat als middel om de gang van zaken bij de uitvoering van de PW te controleren. Het inzagerecht in het kader van de AVG dient daarom niet te worden beperkt.
Ook hierin volgt de rechtbank eiseres niet. De AVG heeft slechts als doel het controleren van de verwerking van persoonsgegevens en niet het controleren van de (juiste) uitvoering van de PW.
Eiseres heeft tevens gesteld dat onduidelijk is gebleven op grond van welke informatie ze in beeld is gekomen bij de sociale recherche. De achterliggende stukken ontbreken en de vermelding van die documenten en de daarin opgenomen persoonsgegevens ontbreken ook in het verstrekte overzicht. Gevolg hiervan is dat de gegevensverwerking die in dat kader moet hebben plaatsgevonden ook niet traceerbaar is. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
Wanneer een verwerkingsverantwoordelijk bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.2 Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting uitgelegd dat de fraudemelding die aanleiding is geweest voor nader onderzoek naar eiseres direct is binnengekomen bij de Afdeling veiligheid en handhaving, en niet bij de Stichting Inlichtingenbureau, dat er daarom geen sprake is van door de Stichting Inlichtingenbureau verwerkte persoonsgegevens en dat de in het kader van het onderzoek aan de orde gekomen persoonsgegevens zijn verwerkt in de rapportage van de sociale recherche. Dit komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. De rechtbank ziet daarom geen grond om aan te nemen dat naar aanleiding van de fraudemelding meer of andere persoonsgegevens door verweerder zijn verwerkt dan opgenomen in het rapport dat is opgemaakt naar aanleiding van de fraudemelding, dat eiseres heeft kunnen inzien. Van onvolledige inzage op dit punt is dus vooralsnog geen sprake.
8. Ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat verweerder meer persoonsgegevens heeft verwerkt dan opgenomen in het aan eiseres verstrekte overzicht. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder met zijn besluitvorming in voldoende mate heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15 van de AVG. Dat pas in beroep een lijst is overgelegd van bezwaar- en beroepsprocedures, en dat die lijst ook al in bezwaar had kunnen worden overgelegd, maakt dit niet anders. Eiseres heeft immers, zoals verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, al inzage gehad in de van genoemde procedures aangelegde dossiers en/of kopieën ontvangen van de op die zaken betrekking hebbende stukken.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: